Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
101,
uit, waarbij het onderwerp van den zin te gelijk als metaphysisch
subject en object voorkomt: Hij wascht zich. W ij vermoeijen
ons. Zij houdt zich stil. — Deze bepalingen zijn streng genomen
alleen op de eigentlijke of ware subjectieve, objectieve en sub-
jectief-objectieve zinnen toepasselijk. Er zijn echter ook zinnen,
die slechts in vorm, maar niet in beteekenis aan de gegevene
definitiën beantwoorden, waaromtrent men het nadere bij Schrij-
ver kan nazien. Intusschen blijkt, dat wij hier met eene geheel
vreemdsoortige verdeeling te doen hebben, die eigentlijk de
beteekenis van het predicaat betreft, maar den zin in zijn ge-
heel, zijne verhouding tot den spreker, en de verbinding van
gezegde en onderwerp, volstrekt niet aangaat, en dus niets
gemeens heeft met de vorige soortverdeelingen. Schrijver heeft
verzuimd dit te doen opmerken, ofschoon hij straks weder
nieuwe onderscheidingen, op de koppeling gegrond, gaat be-
handelen.
Doch al ware de verdeeling in subjectieve, objectieve enz.
zinnen op hare rechte plaats, wij meenen er een bezwaar
tegen in te moeten brengen, namelijk, dat zij onzes inziens
niet alle zinnen omvat. Er zijn immers zinnen, waarin het
onderwerp noch als eigentlijk subject noch als object van het
gezegde voorkomt, te weten de zoogenoemde identiteitszinnen.
Men noemt identiteitszinnen de zoodanige, waarin het
onderwerp en het gezegde beide dezelfde personen of zaken
aanduiden, en dus in den grond dezelfde beteekenis hebben. Zij
worden gebruikt, wanneer de hoorder het onderwerp meer of
minder volkomen kent, doch niet terstond herkent, b. v.: Dit
is uw hoed, gindsche is de mijne. Die heer met de grijze jas
is de oudste broeder van uwen vriend X. Men gevoelt, dat het
onderwerp van zulke zinnen niet beschouwd wordt als het subject
van eene werking die er van uitgaat, noch als de drager van
eigenschappen, door het gezegde uitgedrukt, dewijl immers het
gezegde behalve alle mogelijke hoedanigheden van het onderwerp,