Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
99,
// tweeden persoon iemand aanspreekt, hevelen of gebieden" Ook
in het //Voorbeeld van vervoeging" vind ik geen spoor van
eenen vorm, die eenigzins naar eene uitdrukking van den
Cogitativus zweemt. Uit een en ander schijnt te volgen, dat
de Javanen bf geene willekeurige gedachten kunnen vormen,
bf dat zij ze met de gedachten, aan de werkelijkheid ontleend,
verwarren. Het zou geenszins te verwonderen zijn, indien Schrij -
vers taalgevoel door het denken in zulke minder volmaakte talen
min of meer was verstompt en voor het opmerken van fijnere
en juistere onderscheidingen minder geschikt geworden; later,
bij het behandelen der afgeleide werkwoorden, zullen wij hiervan
een treffend blijk ontmoeten. Men zou wel is waar denken, dat
het beoefenen van veel talen op den geest eenen heilzamen
invloed moest hebben; dat het ons verstand scherpen, onze
vooroordeelen verdrijven en ons telkens tot een hooger stand-
punt van beschouwing opvoeren moest; dat inzonderheid het
aanleeren van talen, die niet van den Indo-germaanschen stam
zijn, onze oogen voor de voortreflTelijke hoedanigheden der
Europesche talen moest openen; het behandelde geval leert, dat
de gevolgtrekking niet altijd doorgaat. Het zou zelfs kunnen
zijn, dat ook in de wetenschap gold, wat in de natuur stellig
geldig is; plaatsen wij ons op eene te groote hoogte, dan wordt
wel is waar het uitzicht ruimer en het overzicht over eene
groote uitgestrektheid mogelijk, maar wij zien de beneden ons
liggende voorwerpen alsdan op zoo grooten afstand, dat de
omtrekken ineenvloeijen en de voorwerpen niet meer duidelijk
onderscheiden worden. Wij zien dan wel veel, maar niets goed;
en hebben wij niet vooraf beneden naauwkeurig waargenomen,
bf begeeft ons de herinnering van het daar geziene, dan ver-
warren wij boven alles wat wij zien, en maken wij ons de
ongerijmdste voorstellingen. Laten wij zulk eene duizelingwek-
kende hoogte niet bestijgen, eer wij te voren alles van nabij
bekeken, opgemerkt en in ons geheugen geprent hebben; eerst