Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
89,
in de zoo even behandelde voorbeelden, den indicativus — maar
om uit het antwoord de eene of andere gevolgtrekking op te
maken. Bevindt men zich b. v. in moeilijke omstandigheden,
waarin men niet weet, hoe te handelen, dan vraagt men wel
eens aan iemand, in wiens oordeel men vertrouwen stelt: Hoe
zoudt gij handelen? Zoudt gij het doen, indien gij in mijne
plaats waart? Dit vragen geschiedt blijkbaar niet uit ijdele
nieuwsgierigheid, om slechts te weten, wat in een geval, dat
niet eens bestaan kan, wel geschieden zou; maar om uit het
antwoord voor zich zeiven een besluit op te maken. Ook kan de
vraag geschieden met het doel om het doorzicht of het karak-
ter van den aangesprokene op de proef te stellen; en dan we-
derom is het niet om het antwoord zelf te doen, maar om er
gevolgen uit af te leiden. Wanneer iemand eene zaak weet, en
ons derhalve een beslissend antwoord kan geven, dan vragen wij
met den indicativus, b. y.: Wien hebt gij daar binnengelaten?
Wat heeft hij u gezegd? Zal hij den hem opgedragen post aan-
vaarden ? Maar weet de aangesprokene evenmin als wij de ware
toedracht der zaken, dan vragen wij met den cogitativus: Wie
zou daar binnen gekomen zijn? Wat zou hij wel gezegd heb-
ben? Zou hij dien post aannemen?, blijkbaar alleen om het
gevoelen des anderen te vernemen en daarnaar onze eigene ge-
dachten of vermoedens te regelen.
De zienswijze van den heer koorda ten opzichte van den
Indicativus en Cogitativus stemt in den grond met de onze
overeen, doch wijkt in de toepassing zeer af. Volgens den Hoog-
leeraar behooren alle voorstellingen van iets verledens, als van
iets, dat niet meer in de werkelijkheid bestaat, tot den Cogitativus.
In deze wijs staan volgens Z. H. G., blz. 24, al de werkwoor-
den in den zin: n Gister wandelde ik naar den Haag, en
Hzag daar iemand aan den weg liggen, die zich hield, alsof
// hij den geeuwhonger h a d" Niet alleen had, dat niet met de