Boekgegevens
Titel: Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1841
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 K 70
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205038
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: 1800-1850, Lager onderwijs, Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 39 )
Lager Schoolwezen en de inrigting en het onder-
wijs der Lagere Scholen gemaakt of nog te maken.
Art. 14. Alle degenen, die thans Lager On-
derwijs geven, en boven in Art. 4, omschreven
zijn, zullen zich, in den loop der maand Julij
dezes jaars, in persoon of schriftelijk vervoegen bij
den Schoolopziener van het District of de Plaatse-
lijke Schoolcommissie, waar zoodanig eene bestaat;
zullende zij, die alsdan tevens eene Acte van vorige
beroeping, aanstelling of admissie inleveren, dade-
lijk een bewijs van Algemeene Toelating ontvangen ;
als ook dezulke, die, zonder eenigerlei Acte van
dien aard te bezitten, daartoe op eenigerhande
grond , door den Schoolopziener of de Plaatselijke-
Schoolcommissie, onder goedkeuring van het daar-
toe bevoegd Bestuur, geregtigd geoordeeld worden :
vallende dan alle , die langs dezen weg een bewijs
van Algemeene Toelating erlangen, onder de ter-
I men van thans wettig fungerende Onderwijzers,
j Art. 15 der Wet vermeld.
Art. 15. Ingeval van verregaande onkunde [ki\..
! 15 der Wet) zal, na voorafgaande vermaning en
1 waarschuwing door den Schoolopziener of de Plaat-
i selijke Schoolcommissie, een zekere tijd, van ten
f minsten zes maanden, worden gesteld, na welken
zij , het zij voor de Commissie van Onderwijs, het
zij voor de Plaatselijke Schoolcommissie, (Art. 10.),
( ingeval zij onder zoodanig eene ressorteren, bewij-
zen hunner aanvankelijke vorderingen zullen moe-
ten geven , of bij gebreke van dien , op de wijze ,
bij Art. 18 en 19 der Wet bepaald, in hunnen
c post geschorst of daarvan ontzet worden.
, Art. 16. Van de bepalingen, bij Art. 13 der
1 Wet gemaakt, zijn «//werfe wi'/^esowrfe;-«? zoodanige
t Personen , die binnen deze Republiek van eenige
i: daartoe bevoegde Vergadering de faculteit tot het
' leeren in het openbaar hebben verkregen, en jonge