Boekgegevens
Titel: Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Auteur: Vries, B.L.
Uitgave: Nieuwediep: J.C. de Buisonjé, 1875-1882
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2528 : 3e dr. (dl. I)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205001
Onderwerp: Wiskunde: algebra: algemeen
Trefwoord: Algebra, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Vorige scan Volgende scanScanned page
183
derde gulden uit; dit herhaalt hij nog tweemaal en houdt eindelijk
15 guldens over. Men vraagt: hoe groot deze som guldens ge-
weest is, en hoeveel guldens hij achtervolgens heeft uitgegeven?
38°. Iemand eenig geld onder eenige arme lieden uitdeelende,
bevond dat hij 40 ets. te kort kwam, zoo hij ieder 25 ets. gaf;
maar dat hij 25 ets. overhield als hij ieder slechts 20 ets. gaf.
Hoeveel armen waren er en hoeveel geld had hij bij zich?
39°. Iemand geeft eerst de helft van zijn geld uit, daarna het
vierde gedeelte van hetgeen hij over had gehouden, en eindelijk
van het overgeblevene het twaalfde gedeelte, waarna hij bevond
nog 5,06 gld. te hebben. Hoeveel had hij aanvankelijk?
40°. Wanneer men van een getal van drie cijfers, het cijfer
der honderdtallen achter het cijfer der eenheden plaats, bekomt
men een getal dat 504 minder is? Welk is dit cijfer, wetende dat
viermaal dit cijfer gelijk is aan de beide laatste cijfers als getal
op zich zelf beschouwd?
41°. Iemand heeft twee zilveren vazen met één zilveren deksel
dat op beide past, en 20 gld. waarde heeft; legt hij het deksel
op de eerste vaas, dan is zij met hetzelve zooveel waard, als de
tweede vaas. Indien nu de tweede vaas met het deksel, een en
twee-derde maal zooveel waard is als de eerste vaas, vraagt men
naar de waarde dezer vazen?
42°. Drie vaten A, B tn C hebben elk zulk een inhoud,
dat B drie vijfde deelen van A, en C twee derde deelen van B
inhoudt; zoo nu de drie vaten te zamen 200 liter inhoud heb-
ben, hoe groot is dan de inhoud van ieder?
43°. Indien van twee getallen, die twaaf verschillen, een derde
van het grootste, min een zevende van het kleinste in hunne som
negen-maal begrepen is, welke zijn dan die getallen?
44°. Van welke twee getallen, die 6 verschillen, is de helft
van het grootste min 10, gelijk aan een derde van het kleinste
en 10 te zamen genomen?
45°. Van welke twee andere getallen, die 10 verschillen, is
twee derde van het grootste, te zamen genomen met drie vierde
van het kleinste, 85 meer dan hun halve som?
46°. Van een evenredigheid staat de eerste tot den derden
term in reden als één tot twee; zoo nu de som der uiterste