Boekgegevens
Titel: Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Auteur: Vries, B.L.
Uitgave: Nieuwediep: J.C. de Buisonjé, 1875-1882
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2528 : 3e dr. (dl. I)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205001
Onderwerp: Wiskunde: algebra: algemeen
Trefwoord: Algebra, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
18°. Welken regel bevat de formule- —-+ - -
P P P P P'
en hoe bewijst men dien met behulp van het bekende axioma:
gelijke grootheden met gelijke vermenigvuldigd geven gelijke
producten?
19°. Men weet ^l^IZÉ. = x^ + x^y + xy^ + y^ en £lzzi(l
x — y ^ ^
= — x^y-\-xy^—y^ is; waarom moeten in het eerste
geval de teekens van het quotiënt alle , en in het tweede
bij afwisseling + en — zijn?
20°. Het quotiënt verandert niet wanneer men deeler en deeltal
met een zelfde getal vermenigvuldigt of door een zelfde
getal deelt; hoe drukt men dit door een formule uit?
21°. Van welken graad is het product van een vorm van den
vierden graad, van den /»en en van den jc graad?
22°. Wanneer een vorm van den zesden graad gedeeld wordt
door een vorm van den derden; een vorm van den
graad door een vorm van den jen graad, van welken graad
is dan het quotiënt?
23°. Wanneer a, b, c, d deelers zijn van zekeren vorm, welk»
deelers heeft die vorm dan nog meer?
24°. Wanneer hebben twee of meer eentermige stelkunstige vor-
men geen gemeenen deeler?
25°. Wanneer zijn een veeltermige en een eentermige vorm on-
derling ondeelbaar?
26°. Wanneer hebben twee veeltermige vormen geen gemeenen
deeler?
27°. In welke gevallen zijn drie of meer algebraïsche vormen
onderling ondeelbaar?
28°. Hoe kan men onmiddelijk den laatsten term van het quo-
tiënt van twee vormen bepalen?
29°. Welke regels bevatten de voorstellen 43, 44, 45, 46, 47, 48 en
49 van de vermenigvuldiging en breng deze regels in woorden?
80°. Wat wordt de vorm: a — b-\-c — d als a=:7x* — 5,
4 = 5a;6- 16a;— 80, c = 18a;5 —
— 18x2—25 en rf=3x* —11«3_|_36 is?
31°. Wat wordt: (2a —34) —(5c + 4rf) als a=3px^—2sx-\-36pj,