Boekgegevens
Titel: Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Auteur: Vries, B.L.
Uitgave: Nieuwediep: J.C. de Buisonjé, 1875-1882
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2528 : 3e dr. (dl. I)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205001
Onderwerp: Wiskunde: algebra: algemeen
Trefwoord: Algebra, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algebraïsche cursus ten gebruike van de adelborsten aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
16°. ——21a;+10, 36»*—156a:»+
+ 229:r2 —130^+25, -Ux^-hUx—i.
herhaling.
1°. Wat verstaat men door gelijksoortige grootheden en zijn 20^,
Sa», 5a'' ook gelijksoortig?
2°. Schrijf eens eenige eentermige vormen, die uit veeltermige
zijn samengesteld.
3°. Door welke formule kan men den regel voor de optelling van
gelijksoortige algebraïsche grootheden voorstellen ?
4°. Verklaar het ontstaan van de negatieve getallen.
5°. Druk de regels, aan het slot van § 19, door formules uit.
6°. Bewijs de regels aan het slot van § 23.
7°. Zijn er ook voorbeelden uit het dagelijksch leven te noemen,
waarin men een grooter getal moet aftrekken van een kleiner?
8°. Toon aan dat men bg de optelling en aftrekking de expo-
nenten niet mag optellen of aftrekken.
9°. Welke regel is vervat in de formule o? X X
en hoe bewijst men dien?
10°. Kunt gij ook door de deeling bewijzen dat o'' = l is?
11°. Tracht eens te verklaren dat 0''=1 is.
12°. W'at leert ons de formule ax—6x+cx—dx=(a—J+c—d)x?
13°. Bewijs door de formule {a-{-= a^2a6-j-dat
(65)2 = 60 X 70-1-25, (105)2= loo x 110-|- 25, 95^ =
= 90 X 100 25 enz. is; en welken regel leidt gij daaruit
af, om gemakkelijk het vierkant te bepalen van een getal,
waarvan het cijfer der eenheden 5 is?
14°. Als men a-{-6-\-c = is stelt, wat wordt dan: *
(a+5-|_c)(a-t-4 —c)(a —4H-c)(—0 + ,
15°. Wat leert ons de formule &XP=PS^ ttt
P
16°. Welk onderscheid is er in de beide schrijfwijzen a : i en f?
b
17°. Hoe bewijst gij de formule —^^avi uit de bepaling voor
de deeling in § 41 gegeven?