Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
zijn van meel? — kookt men? — braadt men? — bakt
men? — eet men raauw? — eet men koud? — groeijen
aan boomen ? — komen van dieren ? — komen van planten ?
— eet men met eenen lepel? — met eene vork? — uit
de hand? — snijdt men? — eet men 'smorgens? — 'smid-
dags? — 's avonds? — lust gij gaarne? — lust gij niet
gaarne? Welke spijzen hebt gij nog nooit gegeten?
Wat eet men op brood? Op welke^ spijzen strooit men
suiker? — strooit men zout? — strooit men peper? Wat
eet gij dagelijks? Wie dekt de tafel bij u te huis? Bidt
gij ouk voor het eten? Hebt gij nu hoi\ger? Wie vouwt
bij u te huis het tafellaken op? Waar bergt men hetp
Hoeveel maal (hoe dikwijls) eet gij daags? Smaakt het
eten u altijd lekker? Zijt gij wel eens onmatig geweest?
Zijt gij steeds tevreden en dankbaar? Wien moeten wij
allen dankbaar zijn? Waarom?
58. De Man met het Paard.
(Beugsma, Plaat 16. N». 4.)
Daar staat een man met een paard. De man houdt
eenen emmer op de knie. In den emmer is water. Het
water is frisch. Het paard zuipt water uit den emmer.
Waarom zuipt het paard ? Het heeft dorst. Wilt gij nu gaarne
water drinken? — Hebt gij nu dorst? — Men eet het water
niet; maar men drinkt het; men kaauwt het water niet. Het
is geene spijs, maar een drank. Zuipt het paard altijd?
Neen, aanstonds houdt het op. Dan heeft het genoeg. Dan
wil het niet meer zuipen. De man houdt het paard niet
vast. Ik geloof, dat het geen wild, maar een tam paard
is. Het hoofdstel hangt los bij den kop. Ga niet te digt
achter het paard I Waarom niet? Het slaat misschien.
Drinkt gij water uit eenen emmer, zooals het paard? —
Waaruit drinkt gij water? — Waaruit drinkt men koffij? —
Zuipt het paard ook kofSj? — De emmer is rond en van
hout. Hij is een vat. De kuiper heeft hem gemaakt.
Twee hoepels zijn om den emmer. Waartoe? De duigen
moeten vast bij elkander blijven. De hoepels zijn niet van
6*