Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
OEFENINGEN.
"Wie? Wat? Watvoor? Wat doet? enz.
53. De Snipperkoek.
(Van Lummel. 1"= reeks. N». 18.)
Daar ligt een lekkere koek. Het is een snipperkoek.
Hoe ziet hij er van buiten uit? — Hoe van binnen? — Ziet
gij wel snippers en sukade aan den koek ? — Wie heeft hem
gebakken ? — Waarvan ? — Hoe smaakt de koek wel ?— Hoeveel
kost zulk een koek ? — Men snijdt den koek met een mes.
Men legt somtijds een sneedje koek op eene boterham. Lust
gij dat wel? — Wanneer eet men koek?— Men eet koek bij
de koffij. Wat smaakt lekkerder: roggebrood, of koek?— De
koek is eene spijs, maar de kofBj niet. KofBj is een drank.
■Noem andere dranken! Is de inkt ook een drank? — De
koekbakker bakt velerlei koeken. Hebt gij wel eens
peperkoek geproefd? — Houdt gij van brokkoek? — van
janhagel? — Daar liggen twee stukjes kleingoed op de
plaat. Dat zijn koekjes : een rond koekje en een krakeling.
Wat kost -wel een pond kleingoed? — Wat bakt de koek-
bakker nog meer ? — Wat verkoopt hij nog meer ? — Lust
gij wel banket? — Wie bakt banket?— Zijt gij wel eens
bij eenen banketbakker geweest ? — De banketbakker bakt
velerlei taarten. Watvoor taarten ? — Wat bakt de banket-
bakker nog meer?
OEFENINGEN.
Wie? Wat? Watvoor? Welk? Wat doet?
Hoe? goed — beter
enz. enz.
De koek —hij... zulk een koek ... de koeken j f koeken.
De taart — zij... zulk eene taart ... de taarten Uij.....zulke| taarten.
Het koekje—het... zulk een koekje.. de koekjes) (koekjes.