Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
69.
zijn niet van hout, maar van ijzer. De smid heeft ze
gemaakt. De kast is een meubel. Noem andere meubelen!
OEFENINGEN.
1. Wie? Wat? Hoe? Watvoor? Welk?
Wat doet? Waar? enz.
2. Beschrijf eene zekere kast en meet haar met den
duimstok!
3. Vragen: Wat is de secretaire? Is de secretaire eene
kast? Noem andere kasten! Is er in de school eene kast?
Hebben uwe ouders eene secretaire? Hebben zij eene andere
kast? Wat staat er in de boekenkast? Wat ligt er in de
linnenkast? Hoeveel zijden heeft de secretaire? Hoeveel
hoeken en hoeveel kanten? Wat staat er naast de secretaire?
Wat staat er op de secretaire? Wat hangt er boven de
secretaire? Wat ligt er onder de secretaire?
45. De Schoen en de Laarzen.
(Van Lummel, l«'« reeks. Plaat 26.)
Daar staan een schoen, eene rijglaars en eene hooge
laars. Zij zien er alle drie nieuw uit. Zij zijn alle drie
van leder (leêr). De lederen (leêren) schoen. De lederen
laarzen. Alle drie hebben eene zool, eenen hak (achterlap),
eene punt, bovenleder en een kontrefoor. De schoen heeft
twee zij-kleppen. Deze sluiten over het bovenleder. In
deze kleppen zitten gaatjes. Door deze gaatjes steekt men
een riempje of eenen veter. De rijglaars beeft geene zijkleppen.
Het bovenleder is open. Twee rijen gaatjes zijn in het
bovenleder. Men steekt een riempje of eenen veter door de
gaatjes. Men rygt de laars toe. De hooge laars heeft
geene gaatjes. Men rijgt haar niet toe. Zij heeft eene
schaft. Boven aan de schaft zitten twee stroppen en eene
bies. Men houdt de stroppen vast en trekt de laars aan.—
De schoenmaker maakt de schoenen en laarzen. De schoen-
lapper lapt de schoenen en laarzen. Men poetst de lederen
schoenen en laarzen. Er zijn ook verlakte schoenen en
laarzen, stotfen schoenen, enz. Deze schoenen en laarzen poetst
men niet. Waarom niet ? — De mannen dragen hooge laarzen
en mansschoenen. De vrouwen dragen vrouwelaarsjes en
vrouweschoenen. De kinderen dragen kinderschoenen en
kinderlaarsjes, 's Winters draagt men overschoenen. In huis