Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
66.
vergaat niet. Deze stijgt op tot God. Het ligchaam is
vergankelijk, maar de ziel is onvergankelijk. Ik geloof,
dat God mij heeft geschapen. Wat heeft Hij mij gegeven? —
Ik heb een hoofd. Boven op het hoofd en achter aan het
hoofd zit haar. Van voren zie ik het voorhoofd, de oogen,
den neus, de lippen, de wangen, en de kin. Op zijde zie
ik de ooren. Het hoofd zit op den hals. Onder den hals
zitten de schouders. Aan de schouders zitten de armen.
Aan de armen zitten de handen. Aan de handen zitten de
vingers. Wijs de duimen! Waar zijn de wijsvingers? —
Waar is de rug? — Waar is de borst? — Waar zijn de
zijden ? — Waar is het scheenbeen; de voet; de elleboog ? —
In den mond zijn de tanden en de tong. Aan den mond
zijn de lippen: de bovenlip en de onderlip. Eenen baard
heb ik niet. Ik kan zien, ruiken, proeven, voelen, maar
niet hooren. Ik kan staan, gaan, loopen, schrijven, spreken
en denken. Ik heb eenen vader en eene moeder. Ik bemin
mijnen vader en mijne moeder. Ik denk dikwijls aan mijnen
vader en mijne moeder. Hoe heet ik? — Hoe oud ben ik? —
Waar ben ik van daan? — Waar ben ik nu niet? — Heb
ik eenen broeder? — Heb ik eene zuster? —
OEFENINGEN.
Wie? Wat? Mijn ligchaam, mijne ziel, enz.
Mijn vader, mijne moeder, enz.
Wat doet? Kan zien, enz.
42. De lieve God.
Ik zie den lieven God niet. Hij is onzigtbaar. Hij
woont niet op de aarde, maar in den Hemel. Hij is overal.
Hij ziet mij altijd en overal. Daarom kan ik mij niet voor
God verbergen. De lieve God hoort mij spreken en bidden.
Hij weet alles. Hij heeft den hemel en de aarde, de zon,
de maan en de sterren geschapen. Hij heeft ook de men-
schen en de dieren geschapen, ook de boomen, de struiken,
de bloemen en alle planten. Hij heeft alles geschapen. Hij
kan scheppen, wat Hij wil. God is almagtig. Noem schep-
selen van God! Hij heeft zijne schepselen lief. Hij geeft
regen en zonneschijn aan de planten. Hij geeft spijs en