Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
65.
De spar staat vast. Zij heeft wortels. Ik zie de wortels
niet. Waarom niet? Zij zitten in den grond. In het bosch
groeijen sparren. Hebt gij al eene spar gezien? — De lieve
God laat de sparren groeijen. God heeft de spar wortels,
eenen stam, takken, geene bladeren, maar naalden gegeven.
De spar heeft ook vruchten, deze heeten sparappels. Zij
zijn eerst groen, maar zij worden bruin. Op de plaat zie
ik eenen sparappel. Men eet den sparappel niet. Men brandt
hem in de kagchel,
OErENINGEN.
1. Beschrijf den appelboom! (op dezelfde plaat.)
2. Noem 10 boomen!
3. Wie? Wat? Wat doet? Watvoor? enz.
4. Wie laat de boomen groeijen? Niet alle boomen
hebben bladeren. Welke boomen hebben bladeren? — hebben
geene bladeren, maar naalden? Welke boom draagt noten?
— draagt eikels? — draagt geene vruchten? — draagt
appelen en noten? Welke boomen staan in het bosch?
— staan in den tuin? — blijven altijd groen? — zijn in
den winter kaal? Noem vruchtboomen !—bosch boomen! —
tuinboomen ! — loofboomen ! — naaldboomen !
De boomstam, de boomvrucht, de boomschors, eene
boomkweekerij, eene rij boomen, twee rijen boomen, eene laan.
5. De boomen, de struiken, de bloemen, de halmen,
het gras, enz. zijn planten. Zij groeijen uit den grond.
Er zijn zeer, zeer vele planten op de aarde. Ik kan ze
(haar) niet tellen. De lieve God laat de planten groeijen.
Welke planten hebben eenen stam? — Welke planten hebben
wortels ?
41. De Mensch.
Ik ben een mensch. Ik woon op de aarde. Ik heb
een ligchaam en eene ziel. Het ligchaam kan ik zien,
maar de ziel kan ik niet zien. Deze is onzigtbaar. Zij
woont in het ligchaam. Ik leef nu, maar ik zal niet altijd
leven. Ik zal sterven, dan ben ik dood. Dan is mijne
ziel weg. Het ligchaam vergaat in de aarde, maar de ziel
5