Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
79.
Ik zie dp roos gaarne. Men zet de roos wel eens in een
glas. Zijn er nu rozen? — 's Zomers zijn er veel rozen,
maar in den herfst zijn er weinig rozen. De lieVe God
laat de rozen groeijen. De roos heeft bladeren. Deze zijn
rood, fijn en zacht. Aan den steel zitten groene bladeren.
Deze hebben tanden. De roode roos — de witte roos.
Er zijn tweederlei rozen, namelijk: roode rozen en witte
rozen. Dat is eene roode roos. Hebt gij al eens eene
witte roos gezitn ? — Van welke roos houdt gij meer: van
de witte roos, of van de roode roos? De rozestruik, het
rozeblad, de rozegeur. Houdt gij van den rozegeur? —
Draagt de rozestruik ook vruchten?
OEFENINGEN.
1. Beschrijf het vergeet-mij-nietjel
2. Wie? Wat? Wat doet? Wat voor een?
Welke? enz.
Ik ruik de roos.......De roos riekt.
De man velt den boom. . . De boom valt.
De koe zoogt het kalf , . . Het kalf zuigt,
enz, enz.
39. De Lelie,
(Van Lummel. 2« Afd. reeks. Plaat 7- N". 5.)
Hier staat eene lelie. Zij is eene bloem. Noem
andere bloemen! De lelie ziet er geel uit. Zij heeft
bladeren, eenen steel, eenen stamper en meeldraden. De
bladeren zijn geel en de steel is groen, Geene doornen
zitten aan den steel. Aan den steel zitten vi^f groene
bladeren. Zij hebben geene tanden. De leliën groeijen in
den tuin. Zijn er nu leliën ? —'In den zomer bloeijen de
leliën. In den herfst zijn er geene lelie'n. Men plukt de
lelie. Ik houd de lelie aan den neus, ik ruik de lelie.
Zij riekt. Houdt gij van de leliën? — Welke bloem bevalt
u beter: de roos, of de lelie ? — De lieve God laat de leliën
groeijen.