Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
57.
wegen zich niet. Zij zijn levenloos: de tafel blijft staan;
het boek blijft liggen ; de prent blijft hangen. De paarden
trekken rijtuigen; de jongen gooit den bal; ik draag
den stoel; de wind beweegt de bladeren van de boomen. Is
het stokpaard ook een dier ? — Is het vloervarken ook een
dier? — Is de pop ook een mensch? — Noem dingen!
34. De Appel.
(Van Lümmel. 1ste reeks. Plaat 17.)
Dat is een appel. Hij is rond en geel. Hij smaakt
goed. Hij heeft vijf of zes pitten. Deze zitten in den
appel. Zij zij klein en bruin. Ik weet, dat deze appel
rijp is; daarom mag ik hem eten. Eerst is de appel klein,
dan groot; hij wordt groot; eerst is hij groen, dan
geel; hij wordt geel; eerst is hij onrijp, dan rijp; hij
wordt rijp. Eerst zijn de pitten wit, dan bruin ; zij
worden bruin. Ik snijd eenen appel door; ik zie, dat de
pitten wit zijn. Nu weet ik, dat de appel niet rijp is,
maar onrijp; daarom mag ik den appel niet eten. Rijpe
appelen — onrijpe appelen. De rijpe appelen mag men
eten, de onrijpe appelen mag men niet eten. Ik eet graag
rijpe appelen. Onrijpe appelen wil ik niet eten. Waarom
niet? Zij smaken leelijk en doen mij kwaad; ik word ziek.
's Zomers hangen er appelen aan de boomen. Deze boomen
heeten appelboomen. Hangen er nn appelen aan de boo-
men? — Zijn de appelen nu rijp? — De rijpe appel valt
van den boom. Hij valt niet ver van den stam. Mag ik
de appelen nu eten? — De appel heeft eene schil. Schilt
gij den appel ? — De appel heeft eenen steel. Deze is
kort. De lieve God laat de appelen groeijen.
OEFENINGEN.
1. Beschrijf de peer! (Op dezelfde plaat.)
•2. Wie? Wat? Wat doet? Hoe? rijp — onrijp;
geel — groen; groot — klein; lekker — leelijk ; bruin — wit.
De appel is onrijp, hij wordt rijp; de pit is wit, hij
wordt bruin; enz.