Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
56.
Waarom? — De worm is lang en dun. Hoe ziet hij er uit? —
Op welk dier gelijkt hij? — Ik vraag: hebt gij al eenen
worm gezien? — Ik wil den worm niet vertreden. Waarom
niet? — Hij voelt pijn, zoowel als ik. Ik zeg: vertrap
den worm niet 1 God heeft den worm geschapen. Wat heeft
God den worm gegeven?— In den grond leven de wormen.
Zijn er ook in den winter wormen? Wij eten geene wormen;
maar de hoenders vreten wormen. De visscher vischt met
wormen. Paling en baars lusten graag wormen. Wat eten
wij? — Hebt gij wormen in het lijf?
OEFENINGEN.
]. Wie? Wat? De zoogdieren, de vogels, de am-
phibiën, de visschen, de insekten, de wormen,
3. Elk, ieder dier . . . niet elk, niet ieder dier.
Alle dieren.......niet alle dieren.
Geen dier.
Eenige dieren . . . . andere dieren.
Vele dieren.......enkele, weinige dieren.
De meeste dieren ... de minste dieren.
Wat doet? enz.
Vragen. Welke dieren heeft Godgeschapen? Welke
dieren hebben geene pooten? Welke dieren hebben twee
pooten? — vier pooten? — zes, of acht pooten? — hebben
vinnen? — hebben vleugels?— hebben vederen op den bast? —
hebben schubben ? — hebben een vel? — hebben haar op den
bast? Welke dieren zijn warm? — zijn koud? Welke
dieren hebben eenen snavel? — leggen eijeren? — kunnen
niet vliegen ? — leven in het water? — zijn er niet in den
winter? — hebben graten? — hebben kieuwen? — krui-
pen? — vliegen? — zwemmen? —zijn wild? — zijn tam?
Alle zoogdieren hebben vier pooten. Welke dieren hebben
meer pooten, dan de zoogdieren? Welke dieren hebben
minder pooten, dan de zoogdieren?
3. De dieren — de menschen — de dingen. — Alle
dieren leven en bewegen zich; de hond loopt, de musch
vliegt, de kikvorsch springt, de visch zwemt, de kapel
vliegt, de worm kruipt. De menschen leven en bewegen
zich ook; de mensch kan gaan, loopen, springen, kruipen;
dansen, maar niet vliegen. De dingen leven niet, zij be-