Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
50.
zoogdieren leven op de boomen. Welke zoogdieren leven
in den grond ? "Welke zoogdieren leven op de boomen ?
Eenige zoogdieren kunnen klimmen, andere zoogdieren
ren kunnen niet klimmen. Welke zoogdieren kunnen
klimmen? Welke zoogdieren kunnen niet klimmen? Eenige
zoogdieren vreten vleesch, andere zoogdieren vreten planten.
Welke zoogdieren vreten vleesch? Welke zoogdieren vreten
planten? Eenige zoogdieren rooven schapen, ganzen,
hoenders, enz. Welke zoogdieren rooven? Elk zoogdier
heeft bloed. Elk zoogdier is warm. W^elk zoogdier is
koud? Op enkele zoogdieren rijden de menschen. Op
welke zoogdieren rijden de menschen? Eenige zoogdieren
trekken rijtuigen. Welke zoogdieren trekken rijtuigen?
29. De Kraai.
De kraai is geen zoogdier, maar een vogel. Eenige
kraaijen zien er zwart uit. Andere kraaijen zien er bont
uit De kraai heeft twee pooten; daarom kan zij
gaan. Zij heeft acht teenen. Hoeveel teenen zitten aan
eiken poot ? — Hoeveel teenen zitten van voren ? — Hoeveel
teenen zitten van achteren? — De kraai heeft twee vleugels;
daarom kan zij vliegen. Ik heb geene vleugels; daarom
kan ik niet vliegen. Ik wil gaarne twee vleugels hebben.
W^aarom ? — Hoe groot is de kraai ? — Zij heeft vederen op
den bast. Voor aan den kop heeft zij eenen bek. Deze is
Ewart en dik. Ik heb geenen bek, maar eenen mond.
Van achteren heeft zij eenen staart. Zij heeft twee oogen;
daarom kan zij zien. Ik heb twee oogen; daarom —,
Eén oog zit regts en één oog zit links. Het regter oog,
het linker oog. Mijn regter oog, mijn linker oog.
God heeft de kraai geschapen. God heelt haar een
ligchaam en eene ziel gegeven; daarom leeft de kraai.
Wat heeft God de kraai nog meer gegeven? — God heeft
ook mij geschapen. God heeft ook mij een ligchaam
en eene ziel gegeven; daarom leef ik. Wat heeft God
mij nog meer gegeven? — Zijn er bij ons kraaijen? —
Op welken vogel gelijkt de kraai? — Men (de mensch) eet
de kraai niet.