Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
63.
veel pooten heeft zij? Wat vreet de spin? Wat is de spin?
Zijt gij ook een insekt?
4. Beschrijf de vlieg! (Van lummel, 2<le reeks. Plaat 12.)
27. De Slak.
Dat is eene slak. Zij loopt niet, maar zij kruipt. Zij
kruipt zeer langzaam over den grond. Loop ik zoo lang-
zaam, als de slak? Neen, ik loop sneller. Zij heeft geene
pooten. Ik voel, dat de slak week en koud is. Zij heeft
een huis. Zij draagt het huis op den rug. Zij kruipt het
huis in. Het slakkehuis is rond en hard. Het is niet zwaar,
maar ligt. Ik kan het slakkehuis dragen. De slak ziet er
grijs uit. Hoe ziet het slakkehuis er uit? — De slak heeft
voelhorens. Hoeveel voelhorens heeft zij?— Ik weet, dat de
slak kan voelen. Kan ik ook voelen? —Eet gij slakken? —
Zijn er nu slakken? — De slak is een dier. Zij is geen in-
sekt, maar een weekdier. Noem weekdieren!
OEFENINGEN.
1. Dat^is eene slak. Zij kruipt niet, maar zij loopt.
Zij kruipt zeer snel over den grond. Ik loop zoo langzaam,
als eene slak. De slak heeft geene pooten. Ik —, dat de
slak week en koud is. Zij heeft geen huis. Zij — hfit huis.
Zij kruipt het huis in. Het slakkehuis is vierkant en zacht.
Het is ligt. Ik — het slakkehuis dragen. De slak — er
grijs uit. De slak heeft voelhorens. Ik weet, — de slak —
voelen. De slak is geen dier. Zij is een vogel.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
Het huis . , het, dit huis . , dit, enz.
enz.............enz.
3. Wat doet de slak? Wat heeft zij? Wat draagt
zij op den rug? Hoe ziet de slak er uit? Hoe is het slak-
kehuis? Wat kan de slak? Hoeveel voelhorens heeft de
slak? Wat is de slak?