Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
44.
24. De Kikvorsch.
(Van Lummel. reeks. Plaat 16.)
Daar zit een kikvorsch. Hij ziet er groen uit. Ik
weet, dat hij springen en zwemmen kan. Hij heeft vier
pooten. Twee voorpooten — twee achterpooten. De voor-
pooten zijn even lang en de achterpooten zijn ook even
lang. Deze zijn langer dan gene. De kikvorsch heeft ook
teenen. Hoeveel teenen heeft hij? — Hoeveel teenen hebt
gij? — Hij heeft geene wol, geene vederen, maar eene huid.
De kikvorsch heeft eenen bek. Hebt gij eenen bek? — Eenen
staart heeft hij niet. Daar zijn kikvorschjes. Nu zijn
zij klein. Toekomend zijn zij groot. Zij zullen groot
worden. Nu hebben zij eenen staart. Toekomend
hebben zij geenen staart. Zij zullen den staart ver-
liezen, Ik voel, dat de kikvorsch koud is. Hij is
nooit warm. Nu zit de kikvorsch op den grond. Later
zwemt hij. Hij zal in het water springen. De kikvorsch
leeft. Hij is een dier. Hij is geen vogel, maar eene
amphibie. Noem amphibiën ! Eten de menschen kikvorschen? —
Daar staat riet. Ik zie, dat het riet groen en lang is. Ik
voel, dat het scherp is,
OEFENINGEN.
1. Daar loopt een kikvorsch. Hij ziet er zwart uit.
Hij heeft twee pooten. De voorpooten zijn — lang en de
achterpooten zijn — — lang. Deze zijn langer, — gene.
De kikvorsch heeft geene teenen. Hij heeft geene huid,
geene vederen , maar wol. De kikvorsch heeft eenen mond.
Hij heeft ook eenen staart. Ik —, dat de kikvorsch koud is.
Hij is — warm. De kikvorsch is een vogel. Ik voel, dat
het riet lang en groen is. Ik zie, dat het scherp is.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
Wanneer? Nu, toekomend, later, nooit.
Destaart . . hij, deze staart . . deze, enz.
enz.............enz.
3. Vragen: Wat doet de kikvorsch nu? Wat zal
hij doen? Waar zit de kikvorsch? Wat is de kikvorsch?