Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
39.
is het kind van de koe. Heb ik eene moeder? — Wat
ben ik? — Houd ik veel van mijne moeder? — De koe is
bont; maar het kalf is bruin. Hoe groot is de koe
wel? — Hoe groot is het kalf wel? — Het kalf is niet
zoo groot, als de koe. Deze is grooter, dan het kalf.
Hoe oud ben ik? — Hoe oud is de koe wel? — Hoe oud is
het kalf wel? — Het kalf is niet zoo oud, als de koe?
Deze is ouder, dan het kalf. De koe is sterk. Het
kalf is niet zoo sterk, als zij. Zij is sterker, dan het
kalf. De koe heeft twee horens, maar het kalf nog niet.
Dit zal later twee horens krijgen. De koe heeft eenen
kop, en het kalf ook. De koe heeft vier pooten. Hoe-
veel pooten heeft het kalf? — Het kalf heeft zooveel
pooten, als de koe. De koe en het kalf hebben even-
veel pooten. Het kalf heeft zooveel ooren, als de
koe. De koe en het kalf hebben evenveel ooren. Wat
hebben de koe en het kalf nog meer? — Bij den weg staan
distels, struiken en gras. Langs den weg vloeit eene rivier.
Deze zijde — gene zijde. Aan deze zijde is de weg; —
aan gene zijde zijn bergen en boomen. Ik zie ook eene
kerk tusschen de boomen. De boomen zijn niet zoo hoog,
als de kerk. Deze is hooger, dan de boomen. De kerk
heeft eenen toren. De kerk is niet zoo hoog, als de toren.
Deze is hooger, dan de kerk. De toren is niet zoo
hoog, als de bergen. Deze zijn hooger, dan de toren.
OEFENINGEN.
1. Daal- staan een paard en een veulen. Zij — bui-
ten, op — weg. De koe kraait. Het kalf komt — de
koe. Het kalf — zuigen. Ik ben eene moeder. Ik houd —
van — moeder. De koe is bont, maar het kalf is — Het kalf
is zoo groot, als de koe. De koe is —, dan het kalf.
Ik ben twintig jaar oud. Het kalf is ouder, dan de koe.
Het kalf is — — sterk, als de koe. Deze is ster-
ker, — het kalf. — den weg staan distels, struiken en
gras. Op den weg vloeit eene rivier. Aan gene zijde is
de weg. Aan — zijde zijn bergen en boomen. Ik zie een
schip tusschen de boomen. De boomen zijn niet zoo —,
als de kerk. De kerk is hooger, dan de toren. De
bergen zijn —, dan de toren.