Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
27.
4. Vragen: Hoeveel hoenders zijn daar? Wat heeft
de haan? Wat heeft de kip? Wat heeft het kuiken? Wat
heb ik? Wat heeft de haan op den kop? Wat kunnen
de haan en de kip? Wat kan het kuiken? Wat kan
het niet? Kan ik kraaijen? Kan ik kakelen? Wat kan
ik? Wat doen de haan en het kuiken nu? Wat doet de
kip nu? Hoe is de bek? Hoe zijn de vederen? Wat is
de haan? Wat is de kip? Wat is het kuiken? Hoe
is het kuiken? Waarvoor zorgt de kip? Waar staat een
kippenloop? Waar ben ik? Waarvan is de kippenloop?
14. De Eenden.
(J. SCHOM, Plaat 101.)
Dat zijn eenden. Tk zie de eenden. Dat is water
Ik zie ook het water. Elf eenden zwemmen in het water.
Daar loopen eenige eenden op den grond. Ginds vliegen
eenige eenden in de lucht. Het water is diep. Hier staan
biezen. De biezen zijn lang en groen. De biezen staan
niet vast. Ginds ligt eene boot. Ginds staan vele boomen.
Dat is een land. Er groeit gras op het land. Er staan
twee huizen op het land. Hier zwemmen acht eenden.
Twee eenden zijn groot. Zes eenden zijn klein. De eendjes;
het eendje. Dat is de vader. Dat is de moeder. Dat
zijn de kinderen. De vader en de moeder zorgen voor
de kinderen. Dat is een juffertje. Een eendje hapt naar
het juffertje. Waarom? Het eendje wil het juffertje
opeten. Het eendje hapt met den bek. De bek is niet
spits, maar slomp. De eenden hebben twee pooten. De
pooten zijn kort. De eenden hebben twee vleugels. Zij
kunnen loopen, kunnen zwemmen, kunnen vliegen, kun-
nen vreten, kunnen ook kwaken.
OEFENINGEN.
1. Dat zijn kippen. Vijftien eenden zwemmen in het
water. Daar zwemmen eenige eenden op den grond. Het
water is diep. De biezen zijn kort en wit. De biezen staan
vast. Er groeijen twee huizen op het land. Zes eenden
zijn groot. Twee eenden zijn klein. De kinderen zorgen