Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
f
24.
4. Wie? Wat? Waarvan? Hoeveel? Hoe? Wat
doet? Waar?
(^) Het jak—hst — een, mijn, uw jak—de,mijne,uwe jakken—zij.
De stoel—hij —.stoel—,stoelen—...
De mat — zij—eene,mijne,uwe mat—.matten— ,..
enz................enz.
5. Vragen: Wie bidt? Waar knielt het meisje? Waar
staat de stoel? Waar hangen de lokken? Wat doet het
meisje? Bid ik? Wat hangt? Heb ik lokken? Ben ik
een meisje? Wat doe ik nu?
12. De Twee Honden.
(Van Lummel. 2de reeks. Isto Afd. Plaat 20.)
Dat is een jagthond. Dat is een poedel. De jagthond
is buiten. Hij staat stil; hij loopt nu niet. De poedel is
ook buiten. Hij loopt nu wel. Ik — De honden hebben
\ eenen kop, eenen hals, eenen rug, eene borst, eenen buik.
t Ik — De honden hebben vier pooten; zij kunnen loopen.
' Ik — De honden hebben teenen. Ik — De honden heb-
ben eenen staart; zij kunnen kwispelstaarten. Ik — De
honden hebben eenen neus; zij kunnen ruiken. Ik ~
De honden hebben oogen; zij zien. Ik — De honden heb-
i ben twee ooren; zij kunnen hooren. Ik — De honden
} hebben eenen bek; zij kunnen niet spreken; zij kunnen
blaffen. Ik —• De honden hebben vele tanden in den
bek; zij kunnen bijten. Ik — De jagthond heeft vele
^ vlekken op den bast; de poedel niet. Ik — De honden
hebben haar op den bast. Ik — De honden zijn waakzaam
en getrouw.
(1) Wij hebben de leerlingen, door oefeningen als de bij de tiende les,
'1 zooveel mogelijk de overeenstemming in de vormverandering der bovenstaande he-
il palende woorden trachten aan te wijzen. Zij leerden daardoor begrijpen, dat,
b waar men het kan plaatsen, ook een, mijn, uw kan voorkomen, doch
niet eene, mijne, uwe, — en bovendien, dat. waar de in het meervoud
gebruikt wordt, die andere bepalende woorden slechts in den laatsten vorm
V kunnen gebruikt worden. Mnar, als de in het enkv. voorkomt, dan stemt
^ het nu eens met eerst^enoemdeu, en dan weder met laatstgenoemden vorm
der andere bepalende woorden overeen. Om de onzekerheid, hieruit ontstaande,
f op te heireu, smelten wij van nu af aan twee oefeningen (oefen. 3 en 5 ^ der
£ vorige les) tot ée'n, en willen dus het pers. voornw. doen uitmaken, wat het
L idw. hier onbeslist laat.