Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
23.
f. Waar staat de meid ? Waar staat de spuit? Waar
staat de emmer? Waar loopt het water? Waar heeft het
varken borstels? Waar heb ik haar? Waar zitten twee
hoepels? Waar ziet de meid nair? Waar spuit de meid
naar?
11. Het Meisje voor den Stoel.
(Brugsma. Plaat 17. N°. 1.)
Dat is een meisje. Hoe heet zij ? Ik heet — Dat is
een stoel. Het meisje knielt op den grond, voor den
stoel. Ik — De stoel staat op den grond. Hij heeft
eene mat, eene leuning, vier pooten en acht sporten. De
mat is van biezen, De leuning is van hout. De pooten
en sporten zijn ook van hout. Het meisje vouwt nu de
handen zamen. Ik — Het meisje ziet naar omhoog.
Ik — Het meisje bidt nu. Ik — Het meisje heeft twee
armen. Zij zijn bloot. Het meisje heeft lokken. Zij zijn
zwart en lang. Zij hangen langs den hals en den
rug. Het meisje heeft eenen borstrok en eenen rok aan.
Zij blijft niet altijd knielen. Het meisje zal opstaan en
weggaan.
OEFENINGEN.
1. Dat is eene vrouw. Dat is een tabouret. De
stoel knielt. Het meisje knielt op den stoel. Het meisje
vouwt de voeten zamen. Het meisje bidt. Het meisje
heeft horens. De lokken staan. De lokken zijn kort en
blond. De stoel heeft vier matten. De stoel heeft sporten.
De stoel heeft geene leuning. Het meisje blijft altijd knielen.
De stoel zal opstaan en weggaan. Het meisje heeft een jak aan.
2. Ik ben een meisje. Ik heet Gerrit. Ik kniel voor
den stoel. Ik vouw de handen zamen. Ik bid nu. Ik heb
eenen borstrok en eenen rok aan. Ik heb lokken. Ik blijf
altijd zitten. Ik heb twee armen. Mijne armen zijn bloot.
3. Het meisje knielt — den grond, ~ den stoel De
stoel staat — den grond. Het meisje ziet — omhoog.
Het meisje — eenen borstrok en eenen rok aan. liet meisje —
twee armen. De armen — bloot.