Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
19.
Mijne schoenen zijn zwart. Ik iieb haar op het hoofd.
Mijn haar is bruin. Ik zal breijen.
3. Een arm — armen. De arm — 'armen.
Een boek — boeken. Het boek — de • boeken.
Eene lei — leijeu. De lei — ( leijen.
Mijn arra — Tarmen. Uw arm — farmen.
Mijn boek — mijne jboeken. tFw boek — uwe jboeken.
Mijne lei — (leijen. Uwe lei — (leijen.
4. De jongen zit — een tabouret. Het meisje zit —
eenen stoel. Zij zitten — eene tafel. De tafel, de stoel
en het tabouret staan — den vloer. Drie boeken liggen —
de tafel. Daar — vele boeken. Zij staan — de boeken-
kast. De boekenkast staat — den vloer. De klok hangt —
den muur. De inktpot — op de tafel. Het schrijfboek —
op de tafel. De jongen heeft eene pen — de hand. De
jongen — naar het papier. De jongen — naarstig. Het
meisje — breijen. De kiel — blaauw. De tafel — vier
pooten. De stoof — van hout.
5. a. Wie? de jongen, enz,
b. Wat? de stoel, enz., heeft eene pen, enz., heeft
eene broek aan, enz.
c. Waarvan? van steen, van blik, enz.
d. Hoeveel? drie, vele, enz.
è. Hoe? lui — naarstig, enz.
ƒ. Wat doet? zit, enz.
g. De jongen — hij.
Het meisje — zij.
enz. — enz.
Waar? op een tabouret, op eenen stoel, aan
eene tafel, op den vloer, tegen het tabouret, aan den muur,
in de hand, op het hoofd, in eene boekenkast.
i. Waarnaar? naar het papier, naar de breikous.
6. Vragen: a. Hoeveel stoelen zijn daar? Hoeveel
tafels zijn daar? Hoeveel boeken zijn daar? Hoeveel testen
zijn daar? Hoeveel leijen zijn daar?
b. Wie zit op een tabouret? Wie zit op eenen
stoel? Wie zitten aan de tafel? Wat staat op den vloer?