Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
f. Wat doet? staat, ei^piigStr'^r ' 151 ^ tt PrmSSSl/ïat \
■ , i
6. Vragen, a. Hoeveel} lessenaars zijn'Haar?'jHoè-"^. ''
veel pennen heeft de man? Hoeveel inktkokers zijn daar?
Hoeveel zakdoeken heeft de man? —........~
b. Wat staat? Wat ligt? Wie houdt vast? Wie
schrijft? Wat is wit? Wat is blaauw? Wat is rood?
Wie heeft eene pen?
c. Wat heeft de man? Wat heb ik? Wat heeft de
lessenaar? Wat heeft de pen? Wat houdt de man vast?
Wat heeft de man aan? Wat heb ik aan?
d. Wat doet de man? Wat doe ik? Wat zal de
man doen ? Wat zal ik doen ?
e. Hoe is de lessenaar? Hoe is de pen? Hoe is de
inktkoker? Hoe is het papier? Hoe is de inkt? Hoe ligt
het papier? Hoe is de jas? Hoe is de broek?
ƒ. Waarvan is de lessenaar? Waarvan is de inktko-
ker? Waarvan is de zakdoek? Waarvan is de jas? Waar-
van is de broek?
9. De Jongen en het Meisje aan de Tafel.
(Van Lummel. 1"« reeks. Plaat 45.)
Dat is een jongen. Hoe heet hij? Dat weet ik niet.
Dat is een meisje. Hoe heet zij ? Dat weet ik ook niet.
Ik heet — De jongen zit op een tabouret. Het
meisje zit op eenen stoel. Ik — Zij zitten aan eene
tafel. De tafel, de stoel en het tabouret staan op den
vloer. Dat is eene stoof en dat is eene test. De test
staat in de stoof. De stoof staat op den vloer. Dat
is eene lei. Zij staat op den vloer tegen het tabou-
ret. Dat zijn drie boeken. Zij liggen op de tafel.
Daar zijn vele boeken. Zij staan in eene boekenkast.
De boekenkast staat op den vloer. Dat is eene klok. Zij
hangt aan den muur. Dat is een inktpot. Hij staat op
de tafel. De jongen heeft een schrijfboek. Ik — Het
schrijfboek ligt op de tafel. De jongen heeft eene pen
in de hand. Ik — De jongen houdt de pen vast. Ik —
De jongen kijkt naar het papier. Ik — De jongen
schrijft. Ik — Het meisje heeft eene breikous in de