Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
15.
hengels zijn daar? Hoeveel deksels zijn daar? Hoeveel
schoenen zijn daar? Hoeveel kousen zijn daar?
h. Wie staat? Wie zit? Wie draagt eene mand?
Wie heeft eenen hoepel? Wat hangt? Wie zal geven?
Wie hebben medelijden? Wat is open? Wat is krom ? Wie
ziet niet? Wie is blind ? Wie bedelt? Wat is groot? Wat
is zwart? Wat is grijs?
c. Wat heeft de jongen ? Wat heb ik ? Wat draagt
de vrouw ? Wat houdt de jongen vast ? Wat houdt de
man op? Wat krijgt de vrouw? Wat hebben de vrouwen
de jongen? Wat heeft de mand? Wat heeft de vrouw op?
Wat heb ik op? Wat heeft de vrouw aan? Wat heb ik aan?
d. Wat doet de jongen? Wat zal de jongen doen?
Wat doet de vrouw? Wat zal de vrouw doen? Wat doet
de bedelaar? Wat doe ik? Wat zal ik doen?
e. Hoe is de vrouw? Hoe is de bedelaar? Hoe is
de mand? Hoe is de hengel? Hoe is desteen? Hoe zijn
de kousen? Hoe zijn de schoenen? Hoe is het schort?
f. Waarvan zijn de schoenen? Waarvan is het jak,
het schort en de muts? Waarvan zijn de kousen? Waarvan
is de rok?
8. De Man aan den Lessenaar.
(Bruqsma. Plaat 14. N». 1).
Dat is een man. Ik — Hij staat. Jk — Dat is
een lessenaar. De lessenaar staat ook. Dat is een inkt-
koker. Hij staat ook. Dat is eene pen. De man houdt
de pen vast. Hij denkt en schrijft. Ik — De man ziet.
De man leest nu niet. Hij zal lezen. Ik — Dat is
papier. Het papier ligt schuins. Het is wit. De pen is
ook wit. Zij is ligt. Zij heeft eenen bek. Ik — De
bek is spits. De inktkoker is zwart. De inkt is ook
zwart. De lessenaar is groot, zwaar en vierkant. Hij
is van hout. De inktkoker is niet van hout, hij is
van glas. De lessenaar heeft eene lade. De man heeft
eenen zakdoek. De zakdoek is rood. Hij is van zijde.
De man heeft eenen jas en eene broek aan. Ik — De
jas is geruit. Hij is van katoen. De broek is blaauw.
Zij is van laken.