Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
14.
hoepel en eenen stok. De jongen — hoepelen. Hij —
nu den hoepel en den stok vast. De man — eenen hoed
op. Hij — arm. Hij — een bedelaar. De vrouw —
geld. Zij — geven. De vrouw en de jongen — mede-
lijden, Zij — milddadig. De vrouw — twee armen. De
armen — bloot. De mand — rond. Zij — geen deksel.
De hengel — krom. De bedelaar — oud. Het schort —
van katoen. De pet — bruin. De rok — van merinos.
5. Wie? de vrouw, enz.
Wat.? de mand, enz,, heeft eene mand, enz,,
heeft een jak aan , enz.,
Waarvan? van leder, enz.
Hoe? milddadig, enz.
Wat doet? {') hoepelt, enz.
Waarvan?
De schoenen zijn —
Het jak is —
Het schort is —
De rok is —
De muts is —
De kousen zijn —
Hoe?
De mand is —
De hengel is —
De bedelaar is —
De vrouw is —
De jongen is —
De steen is —
De rok is —
Het jak is —
De schoenen zijn —
Wat?
De vrouw heeft —
De jongen houdt — vast.
De man — hij.
enz. — enz.
6. Vragen: a. Hoeveel manden zijn daar? Hoeveel
Wat?
De man houdt — op.
De vrouw en de jongen heb
ben —
De vrouw krijgt —
De vrouw heeft — op.
De vrouw heeft — aan.
Ik heb —
Ik heb — op.
Ik heb —• aan.
Wat doet? doe?
De vrouw —
De man —
Ik —
De mand —
De hoepel —
Wat zal?
De jongen zal —
De vrouw zal —
(1) Van nu af worden de werkwoorden zoowel in den l^ten toek., als in
den legenw. tijd der aant. wijs vervoegd.