Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
13.
eene muts op. De jongen —, de bedelaar —, ik — De
vrouw heeft een jak aan, een schort voor, eenen rok, twee
kousen en twee schoenen aan. De jongen —, de bedelaar —,
ik — De muts is wit. De pet is bruin. Het jak is grijs.
Het schort is groen. De rok is zwart. De kousen zijn wit.
De schoenen zijn zwart. Zij zijn van leder. Het schort
is van katoen. De kousen, het jak en de muts zijn ook
van katoen, De rok is van merinos.
OEFENINGEN.
1. Dat is een meisje. Dat is een jongen. Dat
is een man. De vrouw en de jongen zitten. De man
staat. De vrouw heeft eene mand. De vrouw draagt
de mand. De jongen heeft eenen hoepel en eenen stok.
Hij hoepelt nu. Hij zal hoepelen. De man houdt
eenen pet op. Hij is rijk. De man is een bede-
laar. De man bedelt. De vrouw geeft. De jongen
zal geven. De vrouw en de jongen zijn milddadig.
De vrouw heeft twee armen. De armen zijn bloot. De
mand is vierkant. Zij heeft een deksel. De mand heeft
geenen hengel. De hengel is regt. De bedelaar ziet.
De bedelaar is niet blind. De bedelaar is jong. üe jon-
gen is oud. Dat is een steen. De steen is klein en
ligt. De steen staat. De vrouw heeft eene muts op.
De vrouw heeft een jak aan, een schort voor, eenen
rok, twee kousen en drie schoenen aan. De jongen heeft
ook een jak aan. De muts is wit. De pet is zwart.
Het jak is rood. De rok is wit. De kousen zijn wit.
De schoenen zijn zwart. De schoenen zijn van hout.
Het schort is van laken. De kousen, het jak en de
muts zijn ook van van laken. De rok is van katoen.
2. Ik ben eene vrouw. Tk ga nu. Ik bedel. Ik
heb medelijden. Ik heb twee armen. Mijne armen zijn
bloot. Ik ben blind. Ik heb eene muts op. Ik heb
een schort voor, een jak, eenen rok, twee kousen en
twee schoenen aan. Mijne schoenen zijn zwart. Mijn pet
is ook zwart. Ik zal geven. Ik zal hoepelen.
3. De pet — een pet, enz.
enz. — enz., enz.
4. De vrouw — eene mand. De jongen — eenen