Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
12.
ken zijn daar? Hoeveel klompen zijn daar? Hoeveel stuk-
ken hout zijn daar?
h. Wie hakt? Wie graaft? Wie bost? Wie houden
vast? Wie zien? Wat valt? Wat ligt? Wat staat?
c. Wat is scherp? Wat is rond? Wat is wit? Wat
is zwart? Wat is lang? Wat is sterk? Wat is zwaar?
Wat is van linnen? Wat is van ijzer? Wat is van hennep?
Wat is van hout? Wat is van aarde? Wat is van laken?
d. Wat heeft ée'n man? Wat heb ik? Wat hebben
twee mannen? Wat heeft de bijl? Wat heeft de schop? Wat
heeft de vrouw aan? Wat heb ik aan? Wat hebben de
mannen aan? Wat heeft één man op? Wat heb ik op?
e. Wat doet één man ? Wat doen de mannen ? Wat
doe ik? Wat doet de vrouw?
f. Hoe is de bijl? Hoe is het hemd? Hoe is het
blok? Hoe is het touw?
g. Waarvan is de bijl? Waarvan is de schop? Waar-
van is de steel? Waarvan is de pet? Waarvan is hot hemd?
Waarvan zijn de klompen? Waarvan is de kom? Waarvan
is de kruik? Waarvan is het touw?
7. De Vrouw, de Jongen en de Bedelaar.
(Van Lummel. iste reeks. Plaat 44.)
Dat is eene vrouw. Dat is een jongen Dat is een
man. Ik — De vrouw en de jongen staan. De man zit.
De vrouw heeft eene mand. Zij draagt de mand De mand
hangt. De jongen heeft eenen hoepel en eenen stok. Hij
hoepelt nu niet Hij zal hoepelen. Hij houdt nu den
hoepel en den stok vast. De hoepel hangt. De man houdt
eenen hoed op. Hij is arm. Hij bedelt. Hij is een be-
delaar. De jongen geeft. De vrouw krijgt geld. Zij zal
geven. De vrouw en de jongen hebben medelijden. Zij
zyn milddadig. De vrouw heeft twee armen. De jongen—,
«Ie bedelaar —, ik — De armen zijn niet bloot. De mand
is rond. Zij heeft geen deksel. Zij heeft wel eenen hen-
gel. De hengel is krom. De vrouw en de jongen zien.
De bedelaar ziet niet. Ik — De bedelaar is blind. Ik —
De bedelaar is oud. De jongen is jong. Ik — Dat is
een steen. Hij is groot en zwaar. Hij ligt, De vrouw heeft