Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
9.
raten zijn daar? Hoeveel kousen zijn daar? Hoeveel bee-
nen zijn daar?
h. Wie rolt? Wat rolt? Wie loopt? Wie heeft
eenen hemdrok aan?
c. Wat is rond? Wat is kort? Wat is zwaar? Wat
is blaauw? Wat is zwart? Wat is bruin?
d. Wat heeft de man? Wat heb ik? Wat heeft de
man aan? Wat heb ik aan?
e. Wat doet de man? Wat doe ik? Wat doet het vat?
/. Hoe is de hemdrok? Hoe is de broek? Hoe is
het haar? Hoe zijn de kousen? Hoe is het vat?
7. (') Beschrijf de plaat zonder boek!
6. De Houthakkers in het Bosch.
(Van Lummel, late reeks. Plaat 1.)
Dat zijn vier mannen. Dat is eene vrouw. Dat is een
boom. Daar zijn veel boomen. Dat is een bosch. Daar
zijn veel takken. Drie mannen staan. Één man knielt.
De vrouw bukt. Ik — De mannen zien. De vrouw ziet
ook. Dat is een touw. Twee mannen houden het touw
vast. Zij trekken. Eén man heeft eene schop. Ik — De
man houdt de schop vast. Ik — De man graaft. tén
man heeft eene bijl. Hij houdt de bijl vast. Hij hakt.
Ik — De mannen vellen den boom. De boom valt. De
vrouw bost takken. Twee mannen hebben een buis aan.
Twee mannen hebben geen buis aan. Ik — Drie mannen
hebben eenen pet op. Één man heeft eenen hoed op. Ik —
Drie mannen hebben schoenen aan. Één man heeft klom-
pen aan. Ik — De mannen hebben een hemd aan. De
vrouw heeft ook een hemd aan. Ik — De bijl is scherp.
Zij heeft eenen steel. De schop heeft ook eenen steel. De
bijl is van ijzer. De schop is ook van ijzer. De stelen
zijn van hout. De klompen zijn ook van hout. Dat is
een blok. Dat !5ijn vier stukken hout. Het blok is rond
en zwaar. Het ligt. De stukken hout liggen ook. Het
(1) Deze oefening kan tsn slotte bij iedere les opgegeven worden.