Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
twee oogen. De man — twee oogen. De man — eenen
hemdrok aan. De hemdrok — blaauw. De man —
eene broek aan. De broek — zwart: Ik — eene broek
aan. De man — schoenen aan. Ik — schoenen aan.
De schoenen — zwart.
5. Hoe? (*) dood, rond, ligt — zwaar, lang —
kort, blaauw.
Wie? de man, ik, het.
Wat? de beenen, de handen, het vat, het haar, de
hemdrok, de kousen, — heeft twee beenen, twee handen,
haar, — heeft eenen hemdrok aan, twee kousen aan.
Wat doet? (2) _ loopt, leeft, rolt, ziet.
Hoe?
Het vat is —
Het haar is —
De broek is —
De hemdrok is —
De kousen zijn —
Wat?
De man heeft —
Ik heb —
WatH
De man heeft — aan.
Ik heb — aan.
Wat doet? doe?
De man —
Ik —
Het vat —
De man — hij
Het haar — ?
De broek — ?
Het vat — ?
De kousen — ?
De hemdrok — ?
De handen — ?
Het iïjf — ?
De beenen — ?
6. Vragen : a. Hoeveel mannen zijn daar? Hoeveel
(l) Achter dit en dergelijke vraagwoorden, plaatse de onderwijzer met
den leerling, en later de leerling alleen , al de woorden uit de les, die er be-
trekking op hebben, en vervolgens ook dergelijke woorden uit vorige lessen,
voegende, zooveel mogelijk, bij ieder woord een ander van tegenovergestelde
beteeken 13.
(3) De werkwoorden worden eerst geschreven in den vorm , zooals zij
voorkomen in de leesles; doch vervolgens maken de leerlingen eerst met —
en dan zonder hulp van den onderwijzer — de gtheele vervoeging van elk
dezer werkwoorden in den tegenw. tijd der aant. wijs.
(3) Oefeningen in het kiezen der persoonlijke voornaamwoorden.