Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
beenen. Ik — Dat is eene hand. De man heeft twee han-
den. Ik — Dat is een vat. Het is rond. De man rolt
het vat. Ik — Het vat is niet ligt; het is zwaar. Het
rolt. Het leeft niet. De man ziet. Ik — De man
heeft haar. Het is niet lang; het is kort. Mijn haar —
De man heeft eenen hemdrok aan. De man heeft twee
kousen aan. Ik — De hemdrok is blaauw. De kousen
zijn ook blaauw. Mijne kousen —
OEFENINGEN.
1. Dat is eene vrouw. De man zit. Dat is een
vat. Het vat is vierkant. Het vat leeft. Het vat
vliegt. Het vat is zwaar. De man draagt het vat. De
man ziet niet. De man is dood. De man heeft drie
beenen. De man heeft haar. Het haar is lang. De
man heeft eenen hemdrok aan. De hemdrok is blaauw.
De man heeft eenen jas aan. De man heeft eene broek
aan. De broek is wit. De man heeft ééne kous aan. De
kousen zijn rood,
2 Ik ben een man. Ik loop nu. Ik heb vier
beenen. Ik leef. Ik rol nu een vat. Ik zie. Ik heb
haar. Mijn haar is lang. Mijn haar is zwart. Ik heb
eenen hemdrok aan. Ik heb twee kousen aan. Mijne
kousen zijn blaauw. Ik heb eene broek aan.
3 Het hoofd — een hoofd — mijn hoofd.
Het lijf — een lijf — mijn lijf.
Het been — een been — niijn been.
De arm — een arm — mijn arm
De hand — eene hand — mijne hand.
De rug — een rug — mijn rug.
De borst — eene borst — mijne borst.
4. Het vat — rond. Het vat — zwaar. De man —
twee handen. Ik — twee handen. Ik — haar. Ik —
(1) Wat omtrent den vorm van het onbep. lidw. in de derde oefening
der vorige les is geleerd, wordt hier ook op den vorm van het bezittl. voornw.
m ij n toegepast.