Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
De meikever — bont.
Hij — twee vleugels.
Hij — vliegen.
De vleugels — doorschijnend.
De schilden — bruin.
De meikever — voelen.
Hij — twee voelhorens.
De voelhorens — dun.
Het blad — groen.
De eijeren — klein.
4. Het Meisje met het Boek.
(B. Brugsma. Plaat. 14. N". 2.)
Dat is een meisje. Zij zit. Ik — Dat is eene hand;
dat zijn twee handen. Het meisje heeft twee handen. Ik —
Dat is een boek. Het meisje heeft een boek. Ik -i- Het
meisje houdt het boek vast. Ik — Dat is een oog; dat
zijn twee oogen. Het meisje heeft twee oogen. Ik —
Het mei.sje ziet. Ik — Het boek is open. Dat is een
mond. Het meisje heeft eenen mond. Ik — Het meisje
leest. Ik — Dat is een stoel. Dat is eene tafel. Dat is
een tafelkleed. Het is rood. Dat is een arm; dat zijn
twee armen. Het meisje heeft twee armen. Ik — Het
meisje leunt. Ik — Dat is eene jurk. Het meisje heeft
eene jurk aan. Ik — De jurk is geel. Dat is een
schoen. Het meisje heeft twee schoenen aan. Ik — De
schoenen zijn zwart. Dat is het haar. Het meisje heeft
haar. Ik — Het haar is lang en bruin.
OEFENINGEN.
1. Dat is een meisje. Zij heeft eene lei. Zij schrijft.
Zij houdt het boek vast. Zij heeft vier handen. Zij zit.
Zij ziet. Het boek is toe. Het is vierkant. Het meisje
heeft haar. Het is rood. Het is kort. Het meisje heeft een
buis aan. De jurk is wit. Het meisje heeft een schortje
voor. Het meisje heeft twee laarzen aan. De schoenen
zijn geel. Dat is eene tafel. Zij vliegt. Dat is een tafel-
kleed, Het is hard. Dat is een stoel. Hij staat. Het
boek is zwaar,
2 ('). Ik. — Ik sta. Ik heb een boek. Ik houd
(1) Met ik wordt de leerling zelf bedoeld. De onderwijzer doe dit voornw.
ook door w ij en g ij vervangen. Deze oefening moet dan tot twee doeleinden
strekken : 1". tot hetzelfde doeleinde als Oefening 1 — en, 2". tot het vestigen van
de aandacht der leerlingen op den vorm van het werkwoord in den l'"» en per-
soon , vau die tijden, waarin het reeds in de leeslessen is voorgekomen.