Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
1. De Vink.
(H. J, VAN Lummel. reeks. Iste Afd. plaat 17.)
Dat is een vink; dat is geene gans. De vink is klein. Hij
is niet wit; hij is bont. Hij heeft eenen bek. De bek is klein.
Hij is spits. Dat is een worm. De vink heeft eenen worm.
Hij staat. Hij heeft twee pooten. Hij heeft teenen. Dat
is een nest. Dat is een jong; dat zijn drie jongen. De
vink heeft drie jongen. Zij gapen. De vink voert. Dat is
een tak. Dat is een blad; dat zijn vijf bladeren. De tak heeft
bladeren. De bladeren zijn groen. De vink heeft twee oogen.
Hij ziet. Hij heeft eenen kop. Hij heeft twee vleugels. Hij
kan vliegen. Hij vliegt nu niet. Hij heeft eenen staart.
Hij heeft vederen. De vederen zijn bont. De vink is niet
dood. Hij leeft. Hij is een vogel,
OEFENINGEN.
1 Dat is eene gans. De vink heeft vier vleu-
gels, De vink kan vliegen. De vink vliegt nu. De
vink is dood. De vink heeft drie pooten. De vink heeft
hoeven. De vink heeft eenen bek. De bek is lang.
De vink is groot. De vink is wit. De vink ziet niet.
De vink heeft één oog. De vink heeft haar. De vede-
ren zijn blaauw. Dat is een nest. De vink heeft vier
jongen. Dat is een tak. De tak heeft zeven bladeren.
De bladeren zijn rood.
(1) Hier worden de behandelde zaken herhaald en de leerling moet be-
oordeelen, of zij goed worden weder gegeven of niet. Keurt hij goed, dan
zegt hij: ja. Keurt hij af, dan zegt hij: neen, en verbetert den zin.
1