Boekgegevens
Titel: De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Auteur: Boom, J.A. van der
Uitgave: Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon, 1892 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2024
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204803
Onderwerp: Pedagogiek: lichamelijke opvoeding
Trefwoord: Gymnastiektoestellen, Oefeningen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
kunnen worden en de turnende jongens of meisjes kunnen zien.
Ook het halen en bergen van de toestellen dient aan vaste regels
onderworpen te zijn, opdat zoo weinig mogelijk tijdverlies plaats
kan hebben. Het beste is voor elk toestel vaste leerlingen aan te
wijzen en dezen met eene spoedige en juiste opstelling der toe-
stellen vertrouwd te maken. Eene vaste plaats voor elk toestel of
welk voorwerp ook, is in 't belang van de orde en voor eene
vlugge opeenvolging der werkzaamlieden van groote beteekenis.
Hulpverleenen en practische wenken.
Bij het onderwijs in toesteloefeningen zal het meermalen nood-
zakelijk blijken, dat de helpende hand des onderwijzers, of van
een sterkeren leerling noodzakelijk is om den angstigen moed in
te spreken, de onhandigen voor kwetsuren te behoeden en den
zwakken in hun pogen behulpzaam^ te zijn.
Het is niet bepaald wenschelijk, dat de onderwijzer steeds de
helper is; en wel om verschillende redenen:
leeren de leerlingen door nu en dan elkander te helpen
de groote moreele waarheid kennen, dat de mensch niet
voor zichzelf alleen op de wereld is;
zal het te veel tijd in beslag nemen, indien de onderwijzer
persoonlijk en bij alle leerlingen hulp verleent;
3^ is het voor den onderwijzer te vermoeiend.
In zijne plaats kunnen dus gewoonlijk eenige van de krachtig-
sten en verstandigsten onder zijne leerlingen als helpers optreden.
De onderwijzer dient deze helpers nauwkeurig aanwijzing te
doen van de wijze van hulpverleenen, van de plaats waar de