Boekgegevens
Titel: Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1853
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 678 E 85
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204743
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Deugden, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
den helderen dag eenig brandhout van den
zolder te halen, en des avonds ging hij voor
geen tien centen in het duister. Hij had bij
deze vreesachtigheid nog een gebrek: hij wilde
niet weten, dat hij bang was. en beriep zich
altijd op zijne onverschrokkenheid.
Öp een' avond, dat hij met andere kinderen
te huis in den gang speelde, waar licht brand-
de , hield hij zich ook weder zoo groot, en
pochte, dat hij nergens baug voor was. Op
eens begint hij luidkeels te roepen: »Help!
help!" De andere kinderen kwamen dadelijk
bij hem. Hij was doodelijk ontsteld en moest
in de kamer gebragt woiden. Met hem liep
de poes er ook in. Dit beest was hem onder
het spelen tusöchen de beenen door geloopen
en daardoor was hij zoo geschrikt. Was Ger-
uit ook vreesachtig , kinderen? Moet gij daar
niet ou: lagchen?
Toen hij grooter werd , leerde hij het lang-
zaam af. Wilt gij het dan ook afleeren, als
gij grooter wordt ?
Neen, mijne kinderen! gij moogt niet bang
zijn; dan behoeft gij het ook niet af te Iceren.
Die ongehoorzaam is , is batig
Door 't knagen van geweten.