Boekgegevens
Titel: Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1853
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 678 E 85
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204743
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Deugden, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
5. iSaabfeltje.
J©at mag men niet in tten moniï jleficn^
SCnttaDorb.
^at men niet fient.
1
e. Wat raam' het mij !
Herman was op h^t land bezig met werken.
Hij bemoeide zich zelden met anderen. »Als
ik mijn werk^maar goed doe, moet ieder voor
zich zeiven zorgenzeide hij. — Was dat wel
goed, kinderen ? De menschen zijn op de
wereld, om elkander te helpen.
Nu kwam er een jongen aanloopen, die een
paardentuig droeg. Hij vroeg aan Herman :
»Woont daar KLAAsboer niet?" — »Ja!"
zeide Herman, om er maar af te wezen. Er
stonden twee bóerenwoningen niet ver van elk-
ander, en de jongen ging bij den verkeerden
boer. Herman had immers: Ja! gezegd, toen
hij hem vroeg, en wie zou opzettelijk liegen ?
Die boer was niet te huis. Hij was met al
zijn volk op het land. Om voor dieven veilig
te zijn, had hij zijnen grooten hond los gela-
2*