Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
men ook weder 8 nieuwe mazen opslaat. De middenvinger wordt
nu weder op dezelfde wijze als de ringvinger gebreid; dan volgt
de wijsvinger; die evenals de pink gebreid wordt, waarbij men
echter niet 8 nieuwe mazen behoeft op te slaan, wijl men die
van den middenvinger kan gebruiken. "Werkt men den tweeden
handschoen, dan legt men, als de mazen voor de vingers moeten
worden verdeeld, den duim naar den tegenovergestelden kant
van den eerstgewerkten.
l'atronen.
Patroonfiguren ontstaan doordat men, op regelmatige wijze,
eenige maassoorten met elkander verbindt. Men onderscheidt
dichte en holle patroonfiguren. De dichte patronen ontstaan door
het verbinden van rechte, averechte , rechtverdraaide en averecht-
verdraaide mazen. Als men in heen- en teruggaande toeren breit,
moet men de mazen in de teruggaande toeren — welke steeds
de keerzijde van het werk vormen — juist andersom werken dan
in de heengaande toeren; d. i. de rechte mazen worden dan
averecht en de averechte recht gewerkt; men leest dan ook de
beschrijving van het patroon van achter naar voren. De meerdere
of mindere grootte der figuren moet zoo goed mogelijk in over-
eenstemming worden gebracht met de grootte van het te werken
voorwerp. Voor kleine voorwerpen en artikelen voor de luiermand
werkt men zeer kleine patronen; of men verbindt de mazen zóo
met elkander, dat er geene eigenlijke figuren ontstaan, doch dat
het werk een pique-achtig aanzien krijgt. Bij streeppatronen
behoeft alleen de breedte van het patroon te worden berekend,
't Gemakkelijkst zijn die, waarbij de strepen alle even breed
zijn; deze vormen dan ook het begin van het patroonbreien.
Ongelijk breede strepen ontstaan, doordien men van de eene
maassoort meer naast elkander werkt dan van eene andere, b,v.:
voor een patroon van 9 mazen breed : 3 averecht, 1 rechtverdraaid,
3 averecht, 2 recht.
Op streeppatronen volgen die, welke den vorm hebben vän
rechthoeken en kwadraten. Men werkt b.v.: 4 averecht 4 recht;
na 10 toer verzetten krijgt men een rechthoek, na 5 toer verzetten