Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
toer volgt; daarop volgt een, w^aarin voor de overhaling 9 mazen
en tusschen de beide omslagen 3 mazen komen. Bij eiken vol-
genden oneven toer komt vóór de overhaling 1 maas minder en
tusschen de omslagen 2 mazen meer. De bol is voltooid, als er
vóór het overhalen geene mazen meer zijn. Nu volgen eenige
averechte toeren, waarna men het pas werkt met van de
mazen, terwijl voorloopig onbewerkt blijft, tot men aan de
9 toeren komt, die rondom de muts loopen.
Aan mutsen met een ronden bol brengt men dikwijls een nek-
volant aan; in dit geval loopt het strookje of het kantje niet óm
de geheele muts, maar wordt alleen van voren en om de hoeken
tot '/g der breedte van het pas gewerkt. Aan weerskanten van
den bol neemt men dan, van van het pas, de kantmazen op
dezelfde naald, waarop de nog onbewerkte mazen van den bol
zijn en breit in heen- en teruggaande toeren — terwijl men in den
Isten toer na elke 5 mazen eene maas meerdert — hetzelfde patroon
van het pas tot eene breedte van 3 a 4 cM., waarna men afkant
en den volant met een kantje versiert.
Bij het eerste kindermutjes mindert men, bij het werken van
het pas, aan het begin en het einde van eenen toer éene maas
en herhaalt dit 4 of 5 malen, zoodat er in 't geheel 10 of 12
mazen wegvallen.
e. Handschoenen.
Er zijn 3 verschillende soorten van handschoenen, t. w.: mi-
taine's of halve handschoenen; vuistwanten en vingerhandschoenen.
Men begint ze steeds boven, bij den pols, te werken; de halve
handschoen is 't gemakkelijkst te vervaardigen. Heeft men het
benoodigd aantal mazen opgeslagen, dan werkt men, al naar de
grootte, die men hem verkiest te geven, en de dikte van den
werkdraad, 30, 40 of 50 toer, eer men met de duimgeerbegint.
Deze geer werkt men even als de dubbele klink van een borstrok,
met dit verschil echter, dat men nu om den anderen en niet
om den 3den toer meerdert. Heeft men 30 tot 40 mazen ge-
meerderd, dan laat men deze eerst onbewerkt en gaat met de
andere mazen voort, tot de handschoen — mitaine — zoo lang