Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
de boord van dit deel moet echter in 't midden 12 toer breeder
en daar dus 32 toer breed zijn.
Naar deze gegevens is 't niet moeilijk een pantalon van vol-
slagen grootte te werken.
d. Mutsen.
Heeren- en damesmutsen zijn zeer verschillend van model;
eene heerenmuts wordt steeds in rondgaande toeren gewerkt en
bedekt bij 't gebruik, zoowel 't voor- als achterhoofd.
Men verdeelt eene heerenmuts in: boord, het rechte deel en hol.
De boord wordt gewoonlijk het eerst gewerkt; van Strutt's katoen
No. 12 — wat voor deze mutsen het meest geschikt is — skat
men, al naar den omvang van het hoofd, van 160 tot 185 mazen
op 4 naalden en werkt met eene 5de naald. De boord wordt
zooveel toeren hoog, als het 3de deel van het aantal opgeslagen
mazen bedraagt. Wijl de boord omhoog geslagen wordt, rekent
men hem niet bij de lengte der muts. Is de boord voltooid, dan
keert men het werk om en breit dan de laatst gewerkte mazen
eerst. Om echter te voorkomen, dat er, door het keeren van het
werk, eene holle plaats ontstaat, slaat men den werkdraad om
die naald, welke nu de laatste van het toer wordt; men breit
deze omslag met de laatste maas te zamen. Nu volgt het rechte
deel, dat juist een vierkant moet zijn. Werkt men dit met eene
patroonfiguur dan kan men het gedeelte, hetwelk door den
boord bedekt wordt, toch in rechte mazen breien; hierbij in
't oog houdende, dat men op die wijze eenige toeren minder
werke dan de boord hoog is. Begint men met den bol te werken,
dan deelt men het aantal mazen in 8 gelijke deelen; heeft men
b.v. 160 mazen, zoodat dus het 8e deel 20 bedraagt, dan werkt
men den Isten toer: omslaan, overhalen, 16 recht, minderen;
den 2den toer recht; den 3den toer: omslaan, overhalen, 15
recht, minderen; zoo gaat men door, tot er 8 mazen over zijn,
waarna men afkant.
Eene vrouwenmuts bedekt het achterhoofd en omvat het gelaat,
zoodat het voorhoofd vrij blijft. Ze bestaat uit eenen bol en een
pas. De muts wordt steeds met een strookje of kantje versierd.