Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
streepen, het borstsplit staan, zoodat men van nu af in heen-
en teruggaande toeren werkt. Aan beide kanten van het borstsplit
wordt het patroon van de streep voortgezet, waarin men, met
tusschenruimten van 6 toer, vetergaten aanbrengt, door eene
holle maas en eene mindering naast elkander te werken. Ook
begint men nu met de borstklinken, die men door meerderen
verkrijgt en welker breedte — boven ~ variëert tusschen 12
en 18 mazen.
Wil men het vierde deel, dat op den tailleboord volgt, even-
als het minderingdeel recht werken, dan maakt men eene dubbele
klink; den eersten keer meerdert men echter ééne maas en wel,
nadat'men '/g van de mazen, welke het voorpand breed is,
heeft gebreid; immers, eene borstklink moet geplaatst worden op
' 'j afstand van het split en op ^/j afstand het zijnaadje, waai in later
het armsgat komt. De volgende meerderingen komen aan weers-
zijden van deze eerst gemeerderde maas. Men meerdert telkens,
als men aan den rechterkant van het werk is, en breit na iedere
meerdering 3 toer over, terwijl men zorg draagt, dat de meer-
deringen den kant der geer vormen, zoodat zich tusschen twee
meerderingen den Isten keer 1 maas bevindt, den 2den keer 3,
den 3den keer 5 enz. Verkiest men het bovendeel 2 recht 2
averecht te breien , dan maakt men klinken met éene meerdering,
zoogenaamde enkele klinken; men zet dan de meerdering op
de gewone plaats en meerdert eveneens om den derden toer,
waarbij de gemeerderde mazen naar den kant van 't zijnaadje
moeten komen. Is de tusschenboord geheel voltooid, dan zet
men de mouwklink of het okseldoekje. Men meerdert daartoe
aan weerskanten van het zijnaadje — dat in het okseldoekje
niet doorloopt — om den anderen toer éene maas, tot men 12
a 14 mazen heeft gemeerderd, waarna men het rugpand voltooit.
Heeft men hieraan het vereischte aantal toeren gewerkt, dan
werkt men een der voorpanden tot van het vereischte aantal
toeren met het volle aantal mazen, waarna men met de helft
der mazen — de geermazen er niet bij gerekend — de nog
restende toeren werkt voor het schouderstuk. Men heeft nu het
schouderstuk half gewerkt en moet dus nog evenveel toeren breien ,
voor men het aan het rugpand kan verbinden. Dit geschiedt door
.3*