Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
' 30
het naadje zijn; — wanneer het getal mazen, dat zich aan beide
zijden van het naadje bevindt, oneven is, dan moet dit getal
mazen 3 of 5 zijn; — daarna mindert men, breit 5 mazen en
haalt dan over. Nu keert men het werk, haalt de maas, waar-
aan de draad hangt, averecht af, breit 6 mazen averecht en
mindert dan averecht. Nu moet men het werk weder keeren,
dan recht afhalen, 7 recht, overhalen ,'t werk nogmaals keeren,
averecht afhalen, 8 averecht, averecht minderen. Zoo gaat men
voort telkens de minderingen eene maas verder naar den kant
te maken, tot men aan weerskanten de laatste 2 mazen heeft
tezamen gebreid.
Breit men den kleinen hiel op eene andere wijze, dan moet
het 3e deel der mazen tusschen de minderingen blijven, zoodat
deze in eene rechte lijn naar de beide einden loopen. Heeft men
b.v. 30 mazen op de naald, of 15 mazen aan elke zijde van het
naadje, dan plaatst men de eerste mindering 5 mazen vóór en
de tweede 5 mazen over het naadje.
Men werkt in iederen volgenden toer de mindering van de
maas, die in den voorgaanden toer door het minderen is ontstaan
en die van de daaropvolgende maas, en gaat daarmede op gelijke
wijze voort tot der mazen zijn geminderd. Het getal mazen
tusschen de beide minderingen blijft steeds gelijk.
Nadat de kleine hiel of hielmindering is gewerkt, neemt men
aan beide zijden van den hiel de kantmazen en de helft der
mazen die na de hielminderingen nog op de naald zijn, elk op
eene naald. Deze twee naalden noemt men zij naalden; terwijl
men de mazen, die voor het voetstuk moeten dienen, mede op
eene naald neemt, die voetnaald heet.
Nu breit men den min deringvoet. Hierin worden 4 naadjes
gewerkt, die dienen om het voetstuk, de zij stukken en de
zool aan te wijzen.
Voor twee dezer naadjes neemt men de eerste en de laatste
maas van de voetnaald, voor de andere de eerste en de laatste
maas van den kleinen hiel. Het minderen heeft nu telkens om
den anderen toer plaats en wel op de zijnaalden onmiddellijk aan
de voetnaald, zoodat er tusschen de naadjes der voetnaald en
de mindering der zijnaalden steeds 2 mazen zijn. Men mindert