Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
Het boordje dient tot sieraad en tot betere aansluiting der
kous daarom wordt het bij voorkeur 2 recht en 2 averecht ge-
breid , zooveel toeren lang, als het getal aanwijst, dat men bekomt,
wanneer men het getal opgeslagen mazen door 3 deelt.
Is de boord gereed, dan breit men het tweede deel, het Ie
rechte deel. Dit wordt geheel recht gewerkt, uitgenomen het
naadje, dat dient om het begin van den toer en tevens om het
achterdeel der kous aan te wijzen. Men breit nu zoolang, tot dit
deel een vierkant is; wat men gemakkelijk kan onderzoeken,
door het tot een' driehoek om te vouwen.
Daarna begint men aan het derde deel of de mindering;
hetwelk ongeveer langer dient te zijn dan het Ie rechte deel
en waarin een vierde deel van de aanvankelijk opgeslagen mazen
moet worden geminderd. Is dit deel b.v. 28 naadjes lang, dan
moet de mindering 35 naadjes lang zijn. Stellen we, dat er aan-
vankelijk 80 mazen zijn opgeslagen , dan moeten er 20 geminderd
werden. Daar men steeds 2 mazen tegelijk mindert, éene vóór
en éene over het naadje, dient men dus 10 maal te minderen.
Tusschen 10 minderingen liggen 9 tusschenruimten , die gelijkelijk
verdeeld worden. De eerste 8 tusschenruimten zullen in ons voor-
beeld telkens 4, de laatste zal 3 naadjes lang zijn.
Voor het 2e rechte deel breit men zooveel toeren, als het
getal aanwijst dat men bekomt, indien men het aantal opgeslagen
mazen door 4 deelt.
Nu komt het andere hoofddeel, de voet, aan de beurt, en
van dit deel allereerst de hiel. Men deelt het aantal mazen, dat
men nog heeft -- in ons voorb. is dat 60 — door 4; en verkrijgt
dus 15 mazen.
Voor den hiel neemt men nu aan elke zijde van het naadje
15 mazen, de overige mazen vormen later het voetstuk. De hiel
wordt altoos zooveel toeren lang gebreid , als hij zonder het naadje
mazen breed is; in ons voorb. dus 30 toer of 15 naadjes.
De kleine hiel of hiel mindering dient om den vorm aan
den hiel te geven en wordt op verschillende wijzen gebreid.
Veelal werkt men van uit het midden naar de beide kanten, zoo-
dat de minderingen eene schuine lijn vormen. Aan de rechte
zijde van het werk breit men al de mazen, totdat er nog 4 vóór