Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
Bij het begin van elke les overtuige zieh de onderwijzeres
dat aan den eersten eisch om zindelgk werk te leveren is voldaan
te weten, dat alle kinderen schoongewasschen handen hebben
Heeft ze die overtuiging, dan begint de les met het bespreker
van den aard van het werk, dat verricht zal worden; hoe de
leerlingen moeten beginnen en hoe ze moeten voortgaan, wat ze
moeten doen en laten om goed werk te leveren, maakt een
onderwerp van gesprek uit. De onderwijzeres maakt een en ander
duidelijk door eene zelfde soort werk, als verricht zal worden
aan de leerlingen te laten zien; enkele handgrepen worden op
het zwarte bord voorgeteekend, of allen tegelijk voorgedaan. Zijn
op die wijze de werkzaamheden voorbereid, dan beginnen allen
op een gegeven teeken van de onderwijzeres. Terwijl ze bezig
zijn, gaat de onderwijzeres bij de klasse rond om het werk na
te zien, wijst de fouten aan en laat ze verbeteren. Een minder
bevattelijk kind zal somwijlen niet alles begrepen hebben, wat
bij den aanvang der les is besproken ; nu, terwijl de onderwijzeres
bij de leerlingen rondgaat, heeft ze gelegenheid zulk een kind
nog eens weder te zeggen, wat het, om goed werk te leveren
noodzakelijk moet weten.
We zeiden^ boven opzettelijk, dat de onderwijzeres de fouten
moet laten verbeteren; is ze zelve altoos direct bezig om de
fouten te herstellen, dan zal de leerling niet gewoon raken aan
zelfstandig werken.
Banken van twee zitplaatsen en waarvan elke volgende telkens
iets hooger staat dan de voorgaande, zijn bij het onderwijs zeer
aan te bevelen; wijl de onderwijzeres daardoor het best in staat
gesteld wordt, het werk van ieder kind goed te kunnen nazien
De klassen mogen niet te groot zijn en niet meer dan 20—24
leerlingen tellen; omdat het bij een grooter getal onmogelijk is
alles nauwkeurig na te zien.
Men meent ten onrechte wel eens, dat het bezig zijn met de
vrouwelijke handwerken een nederdrukkenden, een geestdoodenden
invloed op het kind uitoefent: waar dit het geval is, moet men
de oorzaak zoeken in de verkeerde methode en in den te langen
duur der les.
Wanneer de onderwijzeres slechts bedenkt dat, terwijl de han-