Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
161
omslaan, 1 recht, omslaan, 2 recht, minderen; 2« toer; 3 ave-
recht, 9 recht.
Men laat dit de kinderen opschrijven en de onderwijzeres
overtuige zich, dat allen het duidelijk hebben gedaan.
Deze 2 toer laat men nu nog 21 maal herhalen, zoodat er
44 toer zijn; dan keert men het werk om, waarop 36 toer recht
volgen.
Nu late men volgen het patroontje, beschreven op bl. 45, zie
fig. 7. Hierop volgt een bodem in den halven stervorm: 1® toer
omslaan, overhalen, 17 recht, minderen; 2® toer recht; 3® toer
als de 15 met inachtneming dat daarin 16 recht worden gebreid;
alle volgende even toeren recht, en in de onevene telkens 1
rechte maas minder.
Met een kleinen borstrok — zie ons leerplan, 4® school-
jaar — bedoelen we eenen voor de leerlingen zeiven van ± 200
mazen wijdte; wijl hierin borstklinken overbodig zijn, kunnen
ze die in de hoogste klasse afzonderlijk leeren breien, alsmede
een lapje, waarin een horizontaal en een verticaal geplaatst
knoopsgat.
Zullen in een of ander voorwerp letters worden gebreid,
dan teekene de onderwijzeres die eerst op het geruite bord voor,
waarna de leerlingen het op geruit papier nadoen. Men verteile
hen dan, hoe groot elk blokje is, alsmede dat de letters de
grootte van een blokje verwijderd moeten zijn van het naadje
en ook onderling. De onderwijzeres beschrijve daarna een paar
toer van eenige letters en late die beschrijving ook door iedere
leerling geven.
Het over en aanmazen late men, zooals we ook in het
leerplan opmerkten, eerst met gekleurd en daarna met wit garen
doen. Met het mazen van een loos gat, zie het leerplan, bedoelen
we, dat er niet eerst eene opening in de stof worde gemaakt,
maar dat de spandraden over de stof gelegd worden. Men neme
daarvoor garen van eene andere kleur dan waarmee men wenscht
te mazen.
Deze manier vormt eenen zeer geleidelijken overgang van het
overmazen, tot het mazen van een gat.
Begint men met stoppen dan late men eerst eene soort
V. D. BERG—STOMP, Vrouw. handw., 3e druk. 11