Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
Men gebruikt voor dit werk linnen band, dat öf geheel dicht,
of geheel hol, öf dicht met open randen is. Het is verschillend
van breedte. Enkele soorten hebben op regelmatige afstanden
plaatsen, die sterk omwonden zijn, waardoor kleine ovale medal-
lons zijn gevormd; deze soorten van band heet men daarom
medallon-band. Met een naam noemt men al deze soorten van
band, naar het werk waartoe ze gebruikt worden , point-lacé band.
De patronen, die in de magazijnen voorhanden zijn, zijn op
geolied linnen of katoen geteekend; men kan, als men ze natee-
kent, evengoed zwaar schrijfpapier gebruiken, indien men het
dan slechts, om het scheuren te voorkomen, op een stuk linnen
of katoen hecht. Handige werksters hebben wij dit borduurwerk
wel op eene dubbele laag papier zien uitvoeren.
Voor de omtrekken der figuren, waarlangs het band moet
loopen, worden altijd dubbele lijnen getrokken, wier onderlinge
afstand overeenkomst met de breedte van het te gebruiken band.
Daar, waar de figuren met kantsteken worden ingevuld,
worden geene lijnen getrokken, terwijl de soort van steek, die
gebruikt zal worden, aan de keuze of den smaak der werkster is
overgelaten.
Men rijgt het band met voorsteken op het patroon, waarbij
men steeds de buitenste der twee lijnen volgt. Langs deze lijn
moet het band vlak en effen liggen; bij het maken van bogen
en punten trekke men het band langs de binnenste lijn een weinig
in, zoodat het volgens den eisch der figuur komt te liggen. Op
plaatsen waar het over elkander ligt, of daar, waar eene vouw komt,
worden de over elkaar liggende deelen met eenen zoomsteek aan
elkander gehecht. Voor arabeskachtige figuren gebruikt men het
breedste band; voor bladen en bloemen, in groote afmetingen,
smal; voor kleine bloemen en zeer kleine blaadjes medallonband.
Heeft men de verschillende figuren met kantsteken ingevuld,
dan omgeeft men den buitenkant van het werk met een kantje
en tornt daarna het patroon onder het werk weg. Heeft men het
nu nog met een ijzer, dat slechts een weinig warm mag zijn,
aan de keerzijde platgestreken, dan is het geheel voltooid.
De kantsteken, waarmede men de verschillende figuren
invult, zijn zeer menigvuldig en verschillend van aard; wij zullen