Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
Het verzetten der ruitjes eischt somtijds in de buitenzijden
van het patroon, dat men halve ruitjes werkt, die uit een
kettingsteek en een stokje bestaan. Zie omtrent bovenstaande
figuur 38.
Werkt men de holle ruitjes onverzet aan elkander, door het
stokje tusschen twee holle ruitjes weg te laten en dus 5 ketting-
steken te haken, dan verkrijgt het werk een eenigszins losser
voorkomen en vordert spoediger.
Nog kan men van de opene patronen schuine ruitjes vormen;
men gebruikt daartoe kettingsteken en vaste steken. De ketting-
steken moeten altijd in oneven aantal worden gewerkt, zoodat
bij eene volgende rij in den middelsten steek een vaste steek
kan worden gehecht.
yjg. 39. Bij elke volgende rij wordt
weder een ruitje voltooid. De
dichte ruitjes werkt men van
stokjes, die op een vasten steek
der vorige rij en tusschen twee
vaste steken der rij, waaraan
men bezig is, worden gewerkt.
Zie fig. 39. Bij dit werk moeten
de onevene rijen , dus de 1«, 3«,
5®, enz., steeds met een stokje
beginnen en eindigen.
Door het aanbrengen van p i c o t s kan men ook open patronen
werken, die geen geruit aanzien hebben, maar die een meei
kantachtig voorkomen verkrijgen. Vooral picots brengen veel bij
tot de sierlijkheid dezer patronen.
Deze picots ontstaan door het haken van een zeker aantal
kettingsteken, waarna men in den eersten dezer een lossen of
een vasten steek haakt. Op deze manier verkrijgt men staande
picots; wil men hangende picots maken, dan laat men
den vasten steek weg. Voor het verkrijgen van den vereischten
vorm, doet men de lis van de naald, steekt in den eersten der
voor eene picot bestemde kettingsteken en haalt daarna de lis,
die men van de naald heeft gedaan, daar door. De kettingsteken
vormen daardoor eene lis, die opene picot heet. Bij dichte