Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
Akt. 22.
er dank voor weten, met den persoon, wien hij in het
belang der school kiezen moet, bekend te zijn geworden.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(c) Er kan behoefte bestaan, om de schorsing oogen-
blikkelijk te bevelen. Aan een' onderwijzer b. v. die zich
aan mishandeling van een kind heeft schuldig gemaakt,
moet zelfs in het belang van de rust der gemeente, het
komen in de school terstond kunnen worden ontzegd. Zou
het daarom niet beter zijn , het regt van schorsing aan
burgemeester en wethouders toe te kennen, onder ver-
pligting van wegens dien maatregel, en de redenen, die
daartoe hebben geleid, zoo spoedig mogelijk rekenschap
aan den raad te geven ? (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(d) Het openbaar onderwijs is niet eene zaak van bloot
plaatselijk, maar tevens van algemeen belang. Er moet
dus van hooger hand gewaakt kunnen worden zoowel
tegen willekeur en onregt, als tegen onverschilligheid en
achteloosheid der Gemeentebesturen. Zonder aan de ken-
nis, verlichting en regtvaardigheid van vele Gemeente-
besturen te kort te doen, mag toch de mogelijkheid onder-
steld worden, dat hier en daar die hoedanigheden niet in
genoegzame mate aangetroffen zullen worden om alle vrees
voor eene onbillijke behandeling van den openbaren onder-
wijzer of veronachtzaming van het openbaar onderwijs door
de Gemeentebesturen weg te nemen. Is de onderwijzer
geheel afhankelijk van het goedvinden, van de luimen
des Gemeentebestuurs, hij kan zich onmogelijk met de
vereischte vrijmoedigheid aan zijne taak wijden en leidt,
daar hij elk oogenblik gevaar loopt zijn bestaan te ver-
liezen, een ellendig leven. (Mem. v. Toel. van 22. Sept.
1854.)
(d) De openbare onderwijzer is een ambtenaar der
gemeente, en het Bestuur der gemeente heeft het regt te
beslissen, in welke gevallen die ambtenaar behoort te
worden geschorst of ontslagen; dit kan van plaatselijke en
bijzondere omstandigheden afhangen, en de raad moet
alzoo daarbij vrij zijn en niet door de wet op het lager