Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
Art. 2-2.
of de kunst van kuipen het best verstaat, benoemd werd.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) Ik meen te mogen aannemen, dat de vergelijkende
examens doorgaans een geschikt middel opleveren, om te
leeren kennen, de bekwaamste candidaten, de meest be-
kwame onderwijzers, maar bovendien leveren zij nog dit
voordeel op , dat schoolonderwijzers , die op eene afgelegene
plaats staan, daar minder in het oog vallen, en zich dus
niet aan het licht kunnen stellen, daardoor de gelegenheid
bekomen, om zich te doen kennen, en alzoo welligt be-
vordering te erlangen. Ik meen dat hieruit een groot
voordeel voor het onderwijs in het algemeen, en voor den
onderwijzersstand in het bijzonder wordt geboren. (Min.
van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 203, 1° Kam.
der St.-Gen.)
(a) Men wilde aan den schoolopziener veel invloed op
de keus der onderwijzers hebben toegekend; maar die
invloed zou te grooter zijn, naar mate hij minder offici-
eel, meer van vriendelijken, raadgevenden, zedelijken
aard bleef. Werd een schoolonderwijzer door den offieië-
len invloed des schoolopzieners aan de gemeente opge-
drongen , de man zou met wrevel ontvangen, tegenge-
werkt en in zijne beste pogingen gedwarsboomd worden.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) Het valt niet te ontkennen dat een verpligtend ver-
gelijkend examen, vooral ook met het oog op vele onder-
wijzers, die anders welligt nooit, althans niet voldoende,
bekend zouden worden, zich zeer aanbeveelt, evenmin is
te ontkennen, dat de bezwaren, dusverre aan die examens
verbonden, weg te nemen zouden zijn. De overweging
van dit een en ander heeft de Eegering dan ook geleid
tot het voorstel om de verpligte vergelijkende examens
te behouden, maar onder zoodanige bedingen, dat zij,
zoo de Regering vertrouwt, gunstig zullen kunnen werken.
In dien zin is de 1® alinea van dit artikel aangevuld. Het
examen zal worden afgenomen door den schoolopziener,
ten overstafin van burgemeester en wethouders, van de