Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
Art. ZZ.
lyk anders dan bij een vergelijkend examen kan doen gel-
den. Zulk een examen met beleid afgenomen was voor
de aankomende onderwijzers eene bron van leering en
zelfkennis. Het zou dit nog meer worden, zoo de school-
opzieners er zich op toelegden, om het onderzoek zoo in
te rigten dat vooral van de practische geschiktheid van
den onderwijzer bleek. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) De Gemeenteraden, vooral ten platte lande, lever-
den geen genoegzamen waarborg voor de keus van
goede onderwijzers. Voor benoemingen van dezen aard
zouden bij hen ligt geheel andere drijfveren werken
dan de zorg voor een voldoend onderwijs der jeugd.
Het was te vreezen, dat kuiperij, partijzucht, persoon-
lijke gunst, of ongunst daarbij al te dikwijls eene rol
zouden spelen. Welk gunstig gevoelen men ook van de
werking van strengere examina koesteren mogt, de toe-
gelatene onderwijzers zouden toch nimmer zoo weinig on-
derling in gehalte verschillen, dat een Gemeenteraad voor-
taan in zijne keus volstrekt niet meer zou kunnen mistas-
ten. Afgescheiden van deze overweging, bragt het belang
van een waakzaam en krachtdadig toezigt op het onder-
wijs mede, dat degene aan wie dat toezigt wordt toever-
trouwd niet ten eenenmale vreemd bleven aan de benoe-
ming en bevordering der onderwijzers in hun district. Het
schooltoezigt dreigde anders geheel magteloos te zullen
worden. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) Men zag in de thans voorgedragene regeling eene
billijke verdeeling van invloed tusschen het Gemeentebe-
stuur en den schoolopziener. Vooral ten platten lande kon
de keus des hoofdonderwijzers niet uitsluitend aan den
Gemeenteraad worden overgelaten. Menige Gemeenteraad
is tot zulk eene keus onbevoegd, of zou zich daarbij door
geheel andere beweegredenen en inzigten laten leiden,
dan die hier alleen in aanmerking moeten komen. Bleef
die raad geheel vrij in zijne keus, het gevaar was groot,
dat niet de bekwaamste of meest geschikte, maar degeen,
die zich bij de raadsleden het aangenaamst weet te maken