Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
Art.
(i) In geval van schorsing, ontslag of ontstentenis van
den hoofd- of hulponderwijzer, wordt door burgemeester
en wethouders, in overleg wat den hoofdonderwijzer be-
treft met den districts-schoolopziener, wat den hulpon-
derwijzer aangaat met den hoofdonderwijzer, in de tij-
delijke waarneming der opengevallen plaats voorzien.
Die van hoofdonder\vijzer moet uiterlijk binnen zes maan-
den na het openvallen zijn vervuld.
(a) Men wilde dat de wet zelf aanleiding gaf, om in
den regel aan de vervulling van elke onderwijzersplaats
een vergelijkend onderzoek van de bekwaamheid der solli-
citanten te doen voorafgaan, welk onderzoek tot voorlich-
ting der leden van den Gemeenteraad en als leiddraad
voor de keuze, door hen te doen, strekken moest, zonder
eenigen dwang om dengeen te benoemen, die het meest
had uitgemunt. Men gaf gaarne toe dat die instelling,
even als elke andere, hare schaduwzijde had; dat bij zoo-
danig onderzoek niet altijd strenge onpartijdigheid had
voorgezeten; dat daardoor hier en daar aanleiding was ge-
geven om de studie der onderwijzers eene eenzijdige rig-
ting te doen nemen , en dat klagten over teleurstelling en
onregt onvermijdelijk waren in elk geval, waar de benoe-
ming met de uitkomst van het onderzoek streed. Maar
die bezwaren werden, naar hunne overtuiging, zeer verre
door allergewigtigste voordeden opgewogen. Een langdu-
rige ondervinding had geleerd, dat niets zoo geschikt was
om den onderwijzer tot voortzetting van eigen oefening,
tot pogingen om op de hoogte van zijnen tijd te blijven
en tot verbetering der inrigting van zijne school aan te
moedigen, dan het vooruitzigt om daarvoor aanspraak te
verwerven op bevordering; eene aanspraak die hij moeije-